Actuele problematiek samenhangend met het ten einde lopen van derde industriële revolutie
- Ter inleiding.
- Derde industriële revolutie
- Vier transitiefasen
- Drie ingrijpende economische transities
- Gevolgen van de drie industriële revoluties
- Industriële revoluties en beursindexen
- Wat zegt een beursindex zoals DJIA en S&P 50 eigenlijk?
- Mandje aandelen
- Formule
- Steeds wisselende samenstelling
- Piramidespel
- Zullen Beursindexen verder dalen?
- Herhaalt de geschiedenis zich?
- Meer van Wim
Grommen lezen?

Wim Grommen
door Wim Grommen, donderdag 06 september 2012
Ter inleiding.
De mensheid wordt momenteel geconfronteerd met dezelfde problemen
als aan het eind van de tweede industriële revolutie: dalende
beursindexen, sterk oplopende werkloosheid, torenhoge schulden van
bedrijven en overheden en de slechte financiële posities van banken.
Iedere productiefase, of iedere maatschappij of ander menselijk
verschijnsel, doorloopt een zogenaamd transformatieproces, een
transitie.
In dit artikel wordt aan de hand van zo’n transitie aangegeven, waar
we met onze huidige maatschappij staan.
Terug naar begin
Derde industriële revolutie
Kijkend naar de kenmerken van de fasen waarin maatschappelijke
transformatieprocessen zich voltrekken, zou het heel goed kunnen,
dat we nu aan het eind van de zogenaamde derde industriële revolutie
zitten. Transities zijn doorgaans maatschappelijke
transformatieprocessen, die tenminste één generatie beslaan.
Transities hebben (Bron: Prof. dr. ir. Jan Rotmans) de volgende
eigenschappen:
- het betreft een structurele verandering van de maatschappij, of
een complex deelsysteem daarvan;
- er is sprake van op elkaar inwerkende en elkaar versterkende
technologische, economische, ecologische, sociaal-culturele en
institutionele ontwikkelingen op verschillende schaalniveaus;
- het is de resultante van langzame veranderingen (ontwikkelingen in
voorraden) en snelle dynamiek (stromen).
Voorbeelden van historische transities zijn de demografische
transitie, de verstedelijking en de overgang van kolen naar aardgas,
die een transitie in de energiehuishouding impliceerde. Een
transitie ligt niet bij voorbaat vast, omdat er gedurende een
veranderingsproces altijd sprake is van aanpassen aan, leren van, en
inspelen op nieuwe situaties door reagerende personen, groepen en
instanties. Een transitie is dus geen wetmatigheid.
Terug naar begin
Vier transitiefasen
In het algemeen beschrijven transities de S-curve en zijn vier
transitiefasen te onderscheiden:
1. een voorontwikkelingsfase van dynamisch evenwicht waarin de
status-quo niet zichtbaar verandert;
2. een ‘take-off’-fase waarin het veranderingsproces op gang komt,
doordat de toestand van het systeem begint te verschuiven;
3. een versnellingsfase waarin zichtbaar structurele veranderingen
plaatsvinden door een cumulatie van op elkaar inspelende
sociaal-culturele, economische, ecologische en institutionele
veranderingen; in de versnellingsfase is sprake van collectieve
leerprocessen, diffusie en processen van inbedding;
4. een stabilisatiefase waarin de snelheid van maatschappelijke
verandering afneemt en al lerend een nieuw dynamisch evenwicht wordt
bereikt.
Terug naar begin
Drie ingrijpende economische transities
Als we naar de rol van de factor bedrijfsorganisatie en
productietechnologie in de economie van de laatste twee eeuwen
kijken, hebben er drie ingrijpende transities plaatsgevonden:
1. De eerste industriële revolutie
De eerste industriële revolutie duurde van circa 1780 tot circa
1850. Kenmerkend was de overgang van kleinschalig handwerk naar
gemechaniseerde productie in fabrieken. Grote aanjager in dit
overgangsproces was de stoommachine, die door toepassingen in de
spoorwegen (stoomtrein) en de scheepvaart (stoomschip) tevens zorgde
voor een revolutie in het transportwezen. De eerste industriële
revolutie concentreerde zich in de katoenindustrie. Omdat
stoommachines op steenkool liepen en van ijzer werden gemaakt,
kwamen ook de steenkoolmijnbouw, de ijzerindustrie en de machinebouw
tot grote bloei.
Het begin van het einde van deze revolutie was 1845 toen Friedrich
Engels, zoon van een Duitse textielbaron, de omstandigheden waarin
de arbeiders van Engeland leefden en werkten, beschreef in ‘De
toestand van de arbeidersklasse in Engeland’.
2. De tweede industriële revolutie
De tweede industriële revolutie duurde van circa 1870 tot omstreeks
1930. Kenmerkend was de verdergaande mechanisatie door de invoering
van de lopende band, de vervanging van ijzer door staal en de
ontwikkeling van de chemische industrie. Daarnaast werden steenkool
en water vervangen door olie en electriciteit en kwam de
benzinemotor tot ontwikkeling. Terwijl de eerste industriële
revolutie op gang werd gebracht door (soms toevallige) uitvindingen
van amateurs, werd de tweede industriële revolutie juist op gang
gebracht door ondernemingen die veel geld investeerden in
professioneel onderzoek (’research’) naar nieuwe producten en
productiemethoden. Om over voldoende kapitaal te beschikken,
fuseerden kleine bedrijven tot grootschalige ondernemingen, die
werden geleid door professionele managers. Ook werden aandelen
uitgegeven. Deze ontwikkelingen leidden tot de overgang van het
traditionele familiebedrijf naar de naamloze vennootschappen en
multinationals. De revolutie eindigde na de ‘roaring twenties’ in
Amerika, met de beurskrach in New York in 1929.
3. De derde industriële revolutie
De derde industriële revolutie begon in circa 1940 en loopt nu op
zijn einde. De Verenigde Staten en Japan hebben een leidende rol in
de ontwikkeling van computers gespeeld. In de VS werd gedurende de
Tweede Wereldoorlog koortsachtig gewerkt aan militaire toepassingen
van computertechnologie. Na de oorlog breidde het Amerikaanse
ruimtevaartprogramma het aantal toepassingen uit. Japan
specialiseerde zich in de ontwikkeling van de industriële toepassing
van de computer: de robot. Intussen speelt de computer- en de
communicatietechnologie een onvervangbare rol in alle delen van de
wereld. De versnellingsfase is omstreeks 1980 begonnen door de komst
van de microprocessor.

Terug naar begin
Gevolgen van de drie industriële revoluties
De eerste (en de tweede revolutie) veranderde een agrarische
samenleving naar een industriële samenleving, waarin de mechanisatie
de mens (uiteindelijk) ontlastte van lichamelijke arbeid. De
ambachtelijke nijverheid kon niet concurreren met de fabrieken die
producten van dezelfde, of zelfs betere kwaliteit op de markt
brachten tegen een lagere prijs. Het gevolg was dat veel
ambachtelijke bedrijven failliet gingen en de voormalig werknemers
in de industrie aan het werk gingen. De gevolgen van de
industrialisatie waren te zien in het proces van de snelle
urbanisatie van voorheen relatief kleine dorpen en stadjes waar de
nieuwe fabrieken kwamen. Deze veranderden in een vuile en ongezonde
industriesteden. Toch stroomden de mensen van het platteland er
noodgedwongen massaal heen voor werk. Er ontstond daardoor een
nieuwe sociale klasse: de arbeiders, oftewel het industriële
proletariaat. Ze woonden in overbevolkte krottenwijken in slechte
behuizing met nauwelijks sanitair. De gemiddelde levensverwachting
was er laag, en de kindersterfte hoog. De elite accepteerde het vuil
van de fabrieken als de onontkoombare prijs voor hun succes. De
schoorstenen waren symbolen van economische macht, maar ook van
maatschappelijke ongelijkheid. Deze maatschappelijke ongelijkheid
zie je na elke revolutie terug. De kloof tussen de onderkant en de
bovenkant van de samenleving wordt erg groot.
Uiteindelijk volgen er altijd tegenreacties om deze kloof weer
kleiner te maken. Er kan worden gesteld dat de Industriële
revoluties de voorwaarden hebben geschapen voor een maatschappij
zonder of met weinig armoede.
De derde revolutie veranderde een industriële samenleving naar een
dienstensamenleving. Waar de mechanisatie de mens ontlastte van
lichamelijke arbeid, ontlastte de computer hem van geestelijke
arbeid. Deze revolutie veroorzaakte het meer en meer overbodig
worden van lagere functies in de industrie en het ontstaan van
totaal nieuwe functies in de dienstensector.
Terug naar begin
Industriële revoluties en beursindexen
Halverwege de tweede Industriële revolutie, in 1896, werd de Dow
Jones Industrial Average voor het eerst gepubliceerd. De Dow Jones
Industrial Average (DJIA) index is de oudste aandelenindex van de
Verenigde Staten. Dit was een rechtstreeks gemiddelde van de koersen
van twaalf aandelen.
Een select clubje journalisten van The Wall Street Journal beslist
welke bedrijven deel uitmaken van invloedrijkste beursindex ter
wereld. Integenstelling tot de meeste andere indices is de Dow een
prijsgewogen index. Dat betekent dat aandelen met een hoge absolute
beurskoers een grote stempel drukken op de beweging van de index.
De S&P index is een naar marktwaarde gewogen index. De 500 grootste
Amerikaanse bedrijven gemeten naar hun marktkapitalisatie zijn
opgenomen in deze index, die samengesteld wordt door de
kredietbeoordelaar Standard & Poor’s.
Terug naar begin
Wat zegt een beursindex zoals DJIA en S&P 50 eigenlijk?
In veel grafieken is de y-as een vaste eenheid, zoals kg, meter,
liter of euro.
Bij deze index-grafieken lijkt dit ook zo, want op de y-as wordt de
eenheid in punten gebruikt. Niets is echter minder waar! Een
index-punt is namelijk geen vaste eenheid in de tijd en je mag er
dan ook historisch gezien geen enkele betekenis aan hechten.
Een index wordt berekend aan de hand van een mandje aandelen. Bij
elke index gebeurt dat volgens een bepaalde formule en de uitkomst
van de formule levert een aantal punten op. Een grote fout die veel
mensen maken is, dat er waarde gehecht wordt aan deze grafieken.
Deze grafieken zijn echter erg bedriegelijk.
Terug naar begin
Mandje aandelen
Een index wordt berekend aan de hand van een mandje aandelen. Bij
elke index gebeurt dat volgens een bepaalde formule en als uitkomst
krijg je dan een aantal punten. Dat mandje van aandelen wordt bij
elke index echter regelmatig veranderd. Voor de nieuwe periode wordt
dus de waarde van een ander mandje aandelen gemeten. Het is
natuurlijk vreemd dat je de verschillende mandjes als zelfde eenheid
projecteert.
Na een periode van 25 jaar wordt de waarde van een mandje appels
vergeleken met de waarde van een mandje peren. Er zitten momenteel
nog maar zes van de 30 oorspronkelijke bedrijven in de Dow Jones in
vergelijking met het tijdstip (1979) dat de versnellingsfase van de
laatste revolutie begon.
Terug naar begin
Formule
Het wordt nog vreemder als bij elke overgang van mandjes ook nog
eens de formule waarmee de index wordt berekend, verandert. Dit
gebeurt omdat de index, de uitkomst van de twee formules van beide
mandjes, op het moment van verandering dezelfde uitkomst moet
opleveren. De index-grafiek van de twee tijdsperioden moet per slot
van rekening wel op elkaar aansluiten. Bij de Dow Jones
bijvoorbeeld, worden alle koersen van de dertig Dow-aandelen bij
elkaar opgeteld en vervolgens door een getal gedeeld. Door
wijzigingen in het mandje en door aandelensplitsingen wordt de deler
telkens veranderd. De deler bedraagt momenteel 0,132319125, maar in
1985 was de deler nog meer dan een. Een indexpunt in de ene periode
wordt dus op een hele andere manier berekend dan in een andere
periode.
Dow1985 = (x1 + x2 + ........+x30) / 1
Dow2009 = (x1 + x2 + ........ + x30) / 0,132319125
In de jaren 90 van de vorige eeuw zijn er veel aandelensplitsingen
geweest. Om de breuk gelijk te houden is zowel de teller als de
noemer van de breuk veranderd. Een koersstijging van een dollar van
het mandje in 2012 levert dus de facto 7,5 meer indexpunten dan in
1985. Omdat er in de jaren 90 nogal wat aandelensplitsingen zijn
geweest, is dit waarschijnlijk de oorzaak waarom de Dow Jones in
deze periode bijna exponentieel is gestegen.
Momenteel staat de Dow op 13207. Bij het hanteren van de formule uit
1985 zou de index nu op 1760 staan.
Terug naar begin
Steeds wisselende samenstelling
Het meest vreemde is natuurlijk de steeds wijzigende samenstelling
van het mandje. Over het algemeen is het zo dat bij het wijzigen van
het mandje, bedrijven die in een stabilisatiefase of de
aftakelingsfase van hun cyclus zitten, uit het mandje gehaald
worden. Bedrijven die in de ‘take-off’-fase of versnellingsfase van
hun cyclus zitten worden toegevoegd. De kans dat de index na de
wijziging van het mandje en de formule stijgt, is dan natuurlijk
vele malen groter dan dat de index gaat dalen. Daar hoef je geen
kansberekening op los te laten, met name als deze methode wordt
toegepast in de versnellingsfase van een transitie. Vanaf 1980 zijn
zeven ICT-bedrijven ( 3M, AT&T, Cisco, H P, IBM, Intel, Microsoft),
de motoren van de laatste revolutie
toegevoegd aan de Dow Jones en vijf financiële instellingen, deze
spelen een belangrijke rol bij elke transitie.
Terug naar begin
Piramidespel

In principe is er een piramidespel gecreëerd. De index evolueert
positief zolang er bedrijven die in de ‘take-off’-fase of
versnellingsfase van hun cyclus zitten, aan worden toegevoegd. Aan
het eind van een transitie zullen dit er echter steeds minder
worden. Dit betekent dat de mandjes steeds minder gereset zullen
worden.
Terug naar begin
Zullen Beursindexen verder dalen?
Het bepalen van de beursindexwaarden en resets "van mandjes" zoals
hierboven beschreven en de weergave van indexen in historische
grafieken zijn bruikbare indicatoren om aan te geven in welke fase
een industriële revolutie zich bevindt.
De indexen geven aan dat de derde industriële revolutie zich
duidelijk in de verzadigings- en aftakelingsfase bevindt. Deze fase
kenmerkt zich, doordat de markt verzadigd is en de concurrentie
toeneemt. Alleen de sterkste bedrijven kunnen de concurrentie aan,
of nemen de concurrentie over (denk aan de overnames die Oracle en
Microsoft de laatste jaren hebben gedaan). Onder de motorkap is er
in ICT-land relatief weinig technisch nieuws meer onder de zon,
alhoewel de marketingmachines vanuit Amerika ons anders willen laten
geloven.
In de voorontwikkelingsfase en take-off fase van een transitie
ontstaan er veel nieuwe bedrijven. Het is een divergerend proces.
Met name financiële instellingen spelen een belangrijke rol. Er is
in deze fase per slot van rekening veel financiering nodig. De
grafiek van de salariëring van de financiële sector vertoont dan ook
dezelfde s-curve als van beide revoluties.
Beleggers worden euforisch bij het horen van fusies en overnames. In
feite geven fusies en overnames de convergerende processen weer aan
het einde van een transitie. Objectief gezien is elke fusie of
overname een mogelijkheid extra efficiënt te produceren, maar ook
een vermindering van economische activiteiten. Dit wordt pijnlijk
duidelijk als we naar de werkloosheidscijfers van diverse
samenlevingen kijken.
Nieuwe industriële revoluties ontstaan door nieuwe ideeën,
uitvindingen en ontdekkingen, ofwel nieuwe kennis of inzichten. De
vraag is of we ook hier als mensheid een verzadigingspunt hebben
bereikt. Er zullen steeds minder bedrijven komen in de
‘take-off’-fase of versnellingsfase die de bedrijven in de
stabilisatiefase of de aftakelingsfase in het indexenmandje kunnen
vervangen.
Terug naar begin
Herhaalt de geschiedenis zich?
De mensheid wordt
momenteel geconfronteerd met dezelfde problemen als aan het eind van
de tweede industriële revolutie, zoals dalende beursindexen, sterk
oplopende werkloosheid, torenhoge schulden van bedrijven en
overheden en de slechte financiële posities van banken.
De historie heeft geleerd dat vijf pijlers voor een stabiele
samenleving onontbeerlijk zijn: voedsel, veiligheid, gezondheid,
welzijn en kennis.
Transities worden geïnitieerd door uitvindingen en ontdekkingen, dus
nieuwe kennis van de mens. Nieuwe kennis heeft weer invloed op de
vier andere componenten in een samenleving. Er worden momenteel
weinig nieuwe uitvindingen of ontdekkingen gedaan. Dus de kans op
korte termijn op een nieuwe industriële revolutie is niet erg
groot.
Aan het eind van elke transitie komt de pijler welzijn in het
gevaar. Dit hebben we na elke industriële revolutie kunnen
constateren. De pijler welzijn van een samenleving dreigt ook nu
weer om te vallen. De historie heeft geleerd dat het omvallen van de
pijler welzijn altijd resulteert in revolutie. Door de grote
werkloosheid na de tweede industriële revolutie is er door veel
samenlevingen een nieuwe transitie geïnitieerd, namelijk het creëren
van een oorlogseconomie. Deze economie bloeide met name in de
periode 1940 - 1945. Samenlevingen zullen ook nu weer een keuze
moeten maken welke transitie zal worden ingezet. Wie geen kennis
heeft van het verleden, heeft geen toekomst.
Terug naar begin
Meer van Wim Grommen lezen?
Publicaties artikelen
|
Jaar |
Artikel |
Tijdschrift |
|
2012 |
Wie geen kennis heeft van het verleden, heeft geen toekomst. |
Onafhankelijk tijdschrift voor Spiritualiteit, Wetenschap, Gezondheid & Milieu |
|
2012 |
Wie geen kennis heeft van het verleden, heeft geen toekomst. |
Expertise praktisch visieblad voor het hoger onderwijs |
|
2012 |
Wie geen kennis heeft van het verleden, heeft geen toekomst. |
Tijdschrift voor Politieke Filosofie en Cultuur |
|
2012 |
Huidige crisis, een wetmatigheid? |
Frontier Magazine Frontier World |
|
2011 |
RBS Markets Magazine Royal Bank of Scotland |
|
|
2011 |
Huidige crisis,een wetmatigheid, deel 1 Huidige crisis,een wetmatigheid, deel 2 Huidige crisis,een wetmatigheid, deel 3 |
BeursBulletin Verantwoord beleggen op wetenschappelijke basis |
|
2011 |
Huidige crisis, een wetmatigheid? |
Tijdschrift voor het economisch onderwijs VECON, Vereniging van leraren in de economisch-maatschappelijke vakken |
|
2011 |
Huidige crisis, een wetmatigheid? |
Hermes, een 2-jaarlijks tijdschrift van de VVLG, de Vlaamse Vereniging voor Leraren Geschiedenis en Cultuurwetenschappen |
|
2010 |
Tijdschrift voor het economisch onderwijs VECON, Vereniging van leraren in de economisch-maatschappelijke vakken |
|
|
2010 |
Beurskrach 1929: mysterie ontrafeld? |
Technische & Kwantitatieve Analyse maandelijkse uitgave van Beleggers Belangen |
|
2007 |
Nieuwe beurskrach, een kwestie van tijd? |
Technische & Kwantitatieve Analyse maandelijkse uitgave van Beleggers Belangen |