Bedelingen Gods 


De bedeling van het geweten (nr. 1)

  1. Het geweten.
  2. Het verbond.
  3. Het getal één.
  4. De eerste dag.
  5. De eerste stamvader.
  6. De eerste vrucht.

Het geweten.

Bij het begin van de eerste bedeling is er sprake van een wisseling van een huishouding. De huishoudelijke regels konden niet meer voortgezet worden, omdat ze niet langer van toepassing waren. Er worden nieuwe huishoudelijke regels gegeven en daar begint dan de bedeling van het geweten, de eerste bedeling. Deze begint bij de uitdrijving uit de hof van Eden - de zondeval - en beslaat de hele "tegenwoordige boze eeuw". Door de uitdrijving uit de hof werd Adam sterfelijk. Vandaar dat Genesis 3 : 22-24 zegt:

 

Genesis 3 : 22-24

22 Toen zeide de HEERE God: Ziet, de mens is geworden als Onzer één (letterlijk: als één bij Ons vandaan), kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid.

23 Zo verzond hem de HEERE God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was.

24 En Hij dreef den mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.

 

Uit deze verzen blijkt duidelijk dat Adam niet meer van de boom des levens mocht eten, omdat hij daardoor zou leven. Hij werd ook in praktische zin sterfelijk doordat hij verdreven werd uit de hof. Dat was het resultaat van zijn zondeval en dat kwam weer door ongeloof. zie zijlijn 3  

Daarom is ongeloof de enige zonde waardoor de mens verloren gaat. De mens werd oorspronkelijk gemaakt tot een levende ziel. Na zijn val werd hij een stervende ziel. De mens is "dood door de misdaden en de zonden". We hebben dus te maken met een stervende mens in zijn relatie tot de levende God. Dat is hét kenmerk van deze eerste bedeling die duurt totdat er geen stervende mensen meer zijn. Op grond van geloof heeft / krijgt iemand leven. Een mens ontvangt eeuwig leven als hij in het "boek des levens" staat. De Bijbel spreekt nergens over het inschrijven in het boek des levens, maar wel over het weghalen uit het boek des levens (Openbaring 3 : 5). Daaruit volgt dat men er bij de geboorte al in staat.

Kinderen beginnen als gelovigen en wanneer men hen de juiste dingen vertelt geloven ze die. De norm is geloof, maar wat moeten de werken er dan bij? De mens die sterft, verdwijnt naar het dodenrijk. Hij blijft in het dodenrijk en wordt "ten jongste dage" opgewekt. Volgens het boek des levens wordt bepaald of iemand dood of levend is. Dit is bepalend voor de positie die iemand krijgt: op of onder de nieuwe aarde. Dood of leven wordt dus bepaald door geloof. Deze bedeling van het geweten is ontleend aan Romeinen 2.

 

Romeinen 2 : 12, 13

12 Want zovelen, als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zovelen, als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden; 13 (Want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden);

Het gaat erom of men gedaan heeft wat de wet zegt.

Romeinen 2 : 14

14 Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn, deze, de wet niet hebbende, zijn zichzelven een wet;

De heidenen hebben de wet van Mozes en alles wat daarmee samenhangt niet ontvangen, maar zij hebben hun eigen wet. Bovendien komt die eigen wet behoorlijk overeen met de wet van God.

 

Romeinen 2 : 15

15 Als die betonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende, of ook ontschuldigende.

 

Dit betekent dat die heidenen demonstreren dat het werk der wet in hun harten geschreven staat. De gedachten van de heiden gaan tegen elkaar in. Wat de wet bij Israël moest doen, doet het geweten bij elke heiden. De wet is dus eigenlijk overcompleet, omdat de beginselen omtrent rechtvaardig en onrechtvaardig in het geweten van de mens liggen opgesloten. Het zit er van binnenuit in.

De naam van deze bedeling wordt uit Romeinen 2 : 15 gehaald. In dit vers wordt geleerd dat er een wet is voor alle mensen, namelijk die van het geweten. Letterlijk betekent het Griekse woord voor geweten "medeweten". Het geweten "weet mee" met God. Het gaat hier over een geweten dat vast is. Wat wij "het geweten" noemen is wat anders dan hetgeen de Schrift "het geweten" noemt. Wat de Bijbel een geweten noemt is geen

functie van de ziel, maar het is een functie van de geest, van de neshamah. Alle mensen hebben samen slechts één "neshamah". God blies in Adam de geest der (= des) levens (Genesis 2 : 7). God blies niet de geesten der levens in Adam, maar er staat: de geest der levens. De neshamah verbindt alle mensen met elkaar en verbindt de mens ook met God. Het is de oorsprong van alle leven. Toen in de mens, geformeerd uit het stof der aardbodem, de neshamah geblazen werd, kwam hij tot leven.

 

Spreuken 20:27

27 De ziel (neshamah) des mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks. 

De neshamah geeft licht. De neshamah is een lamp en die lamp is van de Heer. De buik heeft te maken met voedsel. De neshamah doorzoekt alle dingen die de mens tot zich neemt en die tot de mens komen. Overdrachtelijk gaat het om alle geestelijke waarheden en alle kennis die de mens tot zich neemt. Die Geest des HEEREN, die de mens in zich heeft, doorzoekt en beoordeelt deze dingen en legt een norm aan. Vandaar dat de mens van nature positief of negatief op bepaalde zaken reageert. Een mens reageert negatief op dood en zonde,omdat dat bij hem ingebouwd zit. Elk mens gelooft van nature in God, omdat hij de neshamah van God in zich heeft. God is Degene Die alle dingen draagt door het Woord Zijner kracht (Hebreeën 1 : 3). Alle dingen zijn door Hem geschapen en alle dingen bestaan tezamen door Hem (Kolossenzen 1 : 16-17). Hij houdt alles in stand. Dat geldt ook voor de oude natuur. De Schrift leert dat men zijn geweten met een brandijzer kan toeschroeien (1 Timothéüs 4 : 2). Dan werkt het geweten niet meer. Dit verhaal spreekt alleen maar over de oude schepping. Bij een gelovige is niet de functie van de neshamah bepalend, maar die van de Heilige Geest. Dat is een hogere waarde. De Heilige Geest is veel meer omvattend en doet hetzelfde als de neshamah. De Heilige Geest komt van God en trekt de mens tot God. De neshamah wijst ons op de Schepper.

 

Romeinen 8 : 16

16 Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.

 

Die geest getuigt dat wij volmaakt zijn in Christus. Dat is de functie van de neshamah: hij brengt/leidt tot God.

De in deze serie uitgegeven Bijbelstudie "Geest, ziel en lichaam" (nr. 54) gaat uitgebreid in op het Hebreeuwse "Neshama" . 

 

Terug naar begin

Het verbond.

Gewoonlijk is een bedeling gebaseerd op bepaalde huishoudelijke regels; of anders gezegd een verbond. Het verbond waarop de eerste bedeling gebaseerd is, is met Adam gesloten vóór zijn zondeval. Het verbond van God met Adam is: onderwerp de aarde en heers over haar (Genesis 1 : 28). Dat verbond is nog steeds van kracht. Een bewijs is:  

Psalmen 8 : 7

7 Gij doet Hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder Zijn voeten gezet;

 

"Hem" en "Zijn" dienen met hoofdletters te worden geschreven, want het gaat hier om de persoon van de Here Jezus Christus. Hij zal de aarde onderwerpen en bouwen, als dé beloofde Mens en de Verlosser. In deze bedeling gaat het om de verlossing van de individuele zondaar.

Terug naar begin

Het getal één.

Een "1" heeft in de Schrift een bepaalde betekenis. Alle dingen hebben in de Schrift een betekenis en dus ook alle getallen. Het getal één heeft een bepaalde typologische betekenis. Alles wat we vervolgens met een één of met een eerste aanduiden, moet overeenkomen met de betekenis van de 1. Iets is niet alleen een eerste, omdat het eerst komt, maar omdat het alle kenmerken heeft van een eerste en dus ook alle kenmerken van de één. Bij de "één" is de betekenis nog niet zo moeilijk, omdat de "één" een enkelvoudig getal is. Het is de aanduiding van elk ander enkelvoud en dus ook van elk individu. Een individu is een enkeling. Hiermee is "de bedeling van de individuen" al gekarakteriseerd. Het zegt niets over de inhoud van de bedeling, maar het spreekt over diegenen waarop deze bedeling van toepassing is. De één is de aanduiding van God Zelf, want als er één Enkeling bestaat, dan is dat God Zelf. God staat in de Bijbel als Eenling tegenover de veelheid van de schepping.

In de meetkunde is een éénling een stip, een ondeelbaar plekje. Een punt is een plaats zonder afmetingen. Filosofisch gezien kan dat niet,want een plaats moet afmetingen hebben. Als iets geen afmeting heeft bestaat het niet. De punt is het middelpunt van een cirkel en is zo de belangrijkste punt uit deze hele figuur. Het is een type van God. De punt met daar omheen de cirkel is een grafische weergave van de schepping: de Schepper (als enkelvoud) en de schepping (als meervoud). De lijn van een cirkel bestaat uit een oneindig aantal punten, die geen afmeting hebben. Die cirkel kan men opvatten als een groot aantal individuen (de mensheid), die in een bepaalde relatie staan tot God. In een cirkel staan ze allemaal in dezelfde relatie tot God, want de afstand tot het middelpunt is overal gelijk.

In de tweede plaats is het een mens; niet als volk/groep, als ras of geslacht, maar als enkeling.  

Deuteronomium 6 : 4

4 Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!

 

Vroeger was "enig" het telwoord voor één en "een" was het onbepaald lidwoord. In de Statenvertaling is "enig" het woord voor "één", het hoofdtelwoord. Er staat: De HEERE is één. De "één" is een beeld van God en van de mens, die naar Gods beeld geschapen is. Zelfs onze één (1) is een uitbeelding van die ene mens. De wetenschap noemt de mens: de rechtopgaande mens (homo erectis). Het kenmerk van de mens is dat hij rechtop staat. De "i", de "j" of de "1" zijn precies dezelfde letters. In de meeste talen begint het woord "ik" met een i of met een j: ik (Nederlands), I (Engels), ich (Duits) of je (Frans). In het Hebreeuws vindt de i of j zijn equivalent in een jod (r), de tiende letter. De één in het Hebreeuws is de "alef" (a). Het Hebreeuwse woord "ik" (= ani, rna) begint met een alef. "Ani" is nauw verwant met een Hebreeuws woord voor "schip" (aniah, hrna).

Het schip op het water is een uitbeelding van de individuele mens te midden van de mensheid, de volkeren. "Wateren" zijn een beeld van "volkeren" (Openbaring 17 : 15). Wanneer we over de volkeren spreken, doen we dat als over een derde persoon. We rekenen onszelf daar niet bij. Wij zijn dat schip op het water en dat is in de eerste plaats een beeld van de grote "Ik": Christus. 

In de Hebreeuwse "één" staan twee" jods" tegenover elkaar. Je zou kunnen zeggen: de "1" is 10 (r) tegenover 10 (r). Anders gezegd: een 1 is "10 boven en 10 beneden". De eerste bedeling moet de kenmerken van de één in zich hebben. Eén van de kenmerken van de één is dat zich daarin tweemaal 10 tegenover elkaar bevinden. Dat ziet men in deze bedeling aanvankelijk ook. In Genesis gaat het over tien generaties van Adam tot Noach,want Noach is de tiende (Genesis 5 : 2-32). Aan de andere kant zijn er ook tien generaties; niet via de lijn van Seth, Enos en Kenan, maar via de lijn van Kaïn. Het zijn zeven generaties in onze manier van redeneren waarbij de laatste generatie drie zonen krijgt. Er worden in ieder geval tien namen genoemd in de lijn van Kaïn tot aan de zondvloed tegenover de tien namen uit het register van Seth tot aan de zondvloed.

Adam                                       Adam

Kaïn                                         Seth

Henoch                                     Enos

Hirad                                        Kenan

Mechújaël                                  Mahalal-el

Methúsaël                                  Jered

Lamech                                     Henoch

Jabal / Jubal / Túbal-kaïn            Methúsalach

Lamech

Noach

 

 

Het Hebreeuws is de grondtaal van het Oude Testament van de Bijbel. Voor zover de Bijbel in het Grieks is geschreven, ontleent het Grieks toch zijn betekenis aan het Hebreeuws. Alle letters in het Hebreeuws zijn tevens cijfers. In het Grieks ontbreekt bijvoorbeeld de "H". Er is wel een teken voor,maar geen letter. Het Hebreeuwse kwadraatschrift vindt zijn oorsprong op de twee stenen tafelen. Het Bijbels Hebreeuwse kwadraatschrift is een heel apart soort. Het hoort vermoedelijk niet in de ontwikkeling van het schrift thuis, maar is een op zichzelf staande schriftsoort die zijn oorsprong vindt bij God Zelf. Vandaar dat bepaalde waarheden niet alleen in de betekenis van de letters en de getallen tot uitdrukking komen, maar dat de betekenis ook door de vorm van de letters weergegeven wordt.

Onze "M" is een afleiding van water, want de M staat voor water (Hebreeuws: majim, orm). De M en de W houden wel verband met elkaar. Deze letters hebben een typologische vorm en dat geldt voor alle schrift. Zo is de laatste letter van het Phoenicische alfabet een kruis. Het kruis heeft in het Hebreeuws de getalswaarde 400. Dat is het hoogste cijfer bij de Hebreeuwse letters. De 400 is het eind van alle leven, dus is het de aanduiding voor de dood. In het Hebreeuws wordt niet verder geteld dan 400,want voor het getal 500 is geen letter meer.

Terug naar begin

De eerste dag.

Genesis 1 : 3

3 En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.

Het kenmerk van de eerste dag uit Genesis 1 is dat er licht kwam. God schiep het licht niet, maar er kwam licht. Let wel: er kwamen nog geen lichtdragers. De lichtdragers komen pas op de vierde dag. De normale gang van zaken in de natuur is dat men eerst het licht ziet en dan pas de lichtdrager. Wat is licht? Eén axioma is: licht is materie. Een ander axioma is dat licht trilling of straling is. De Bijbel zegt in: 

Éfeze 5 : 13

13 Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt, is licht.

Licht staat in het meervoud, want er staat "al". Er zijn meerdere dingen, met verschillende namen genoemd, die licht zijn. Licht is dus een verzamelnaam. Licht bestaat uit verschillende aspecten (regenboog).

1 Johannes 1 : 5

5 En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen, dat God (= een) Licht is, en gans geen duisternis in Hem is.

 

Jakobus 1 : 17

17 Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van den Vader der lichten afkomende, bij Welken geen verandering is, of schaduw van omkering.

 

Dit betekent dat al wat openbaar maakt van God afkomstig is, want God is een God Die Zich openbaart. Christus is het Licht der wereld (Johannes 1 : 4, 5). De wereld accepteerde het licht niet, maar had het rijk van de satan (de duisternis) liever dan Christus. Een theorie over écht licht begint bij Christus, want de vreze des HEEREN is het begin der wijsheid (Spreuken 9 : 10). Christus is Degene Die openbaar maakt.

 

Johannes 12 : 46

46 Ik ben (= een) Licht, in de wereld gekomen, opdat een ieder, die in Mij gelooft, in de duisternis niet blijve.

 

In den beginne was het Woord en Woord maakt openbaar. "Woord" en "licht" geven hetzelfde weer. In Genesis 1 staat voor de eerste keer: "En God zeide". Wat gebeurt er dan? Er komt licht. Als God spreekt maakt Hij Zich openbaar. De zon is ook het resultaat van het Woord van God. Dus het licht dat van de zon komt, is een beeld het woord van God.  

Psalmen 119 : 105

105 Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

 

Het woord is een lamp/licht. De duisternis verdwijnt waar het Woord van God verschijnt. In de eerste bedeling moet het licht een belangrijke rol vervullen. Naast God, het Woord, Christus is "de wet" een licht (bijvoorbeeld geheel Psalmen 119). De profetie is een licht. 

2 Petrus 1 : 19

19 En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uw harten.

 

De woorden "in uw harten" staan in de grondtekst achter "dat gij daarop acht hebt". Profetie vervult in de eerste bedeling de rol van licht, omdat deze bedeling met een profetie begint in: 

Genesis 3 : 15-20

15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.

16 Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben.

17 En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens.

18 Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten.

19 In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.

20 Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder aller levenden is.

 

Het is een profetie over de komst van de Verlosser en maakt openbaar dat er een strijd zou zijn tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang. Deze profetie spreekt over de strijd tussen Christus en de satan en over de overwinning die Christus zou behalen. Dit is de eerste letterlijke profetie in de Bijbel. In het licht van deze profetie hebben de generaties van Adam tot Noach gewandeld. In datzelfde licht wandelt de mensheid nog,want deze bedeling loopt nog door. Die waarheid was uitgebreid aan Adam en zijn nageslacht bekend. Het licht van de profetie was er! De mensheid vanaf Adam had kennis van de Verlosser en Zijn werk. Er is licht in de eerste bedeling: profetie en het geweten. Als deze bedeling "de bedeling van het geweten" genoemd wordt, zou het ook "de bedeling van het licht" kunnen noemen of "de bedeling van de individuen". Kortom: "de bedeling van de één".

 

Terug naar begin

De eerste stamvader.

Dit is de eerste van de zeven generaties van de mensheid vanaf Adam. De eerste afstammeling van Adam is Adam zelf. 

Judas 14, 15

14 En van dezen heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen;

15 Om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddelozen onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.

 

Henoch heeft geprofeteerd. Hij heeft zelfs een boek geschreven. Henoch leefde vóór Noach. Dit betekent dat er profetie was in de dagen vóór Noach. Noach was zelf ook een profeet. Henoch wordt hier de zevende van Adam genoemd. Het hoefde hier niet in de brief van Judas te staan. Waarom staat er dan bij dat hij de zevende van Adam was? In de eerste plaats, omdat het oordeel waarover Judas hier spreekt een oordeel is dat in verband staat met de zeven. Henoch profeteerde over een oordeel van God dat plaats zou vinden in verband met de zevende bedeling. In de tweede plaats: als Henoch de zevende is betekent het dat al die andere ook genummerd moeten worden. Dan blijkt dat "Adam de eerste van Adam is". Adam is de eerste stamvader. Daaruit volgt dat Adam overeen moet komen met alle andere eersten uit alle andere reeksen. Adam was een eerste, een één, een enkeling. Hij werd alleen op de aarde gezet.

Het leven van Adam was het leven van een enkeling, geplaatst onder God. Het ging om zijn persoonlijke relatie tot God en zo is hij een type van ieder mens die van nature onder de bedeling van het geweten geplaatst is. Adam is een type van de mensheid als zodanig. Vandaar dat de naam Adam soms vertaald wordt met "mens" (Adam betekent letterlijk: rood).

 

Terug naar begin

De eerste vrucht.

Deuteronomium 8 : 8

8 Een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgebomen, en granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen, en van honig; 

Deze zeven vruchten beschrijven het beloofde land van Israël. De betekenissen van de zeven vruchten komen overeen met de aard van de zeven bedelingen. De eerst genoemde vrucht is de tarwe. "Tarwe" is in het Hebreeuws "chitah" (hjx). Tarwe is afgeleid van een stam: de cheeth (x) en de theeth (j), waarvan meerdere woorden zijn afgeleid. Het woord "cheet" (ajx) is van dezelfde opbouw als het woord "chittah" (hjx). Tarwe is zo een beeld van de zondaar en de zonde. Een zondaar zou, als hij een boom was, (en dat is hij typologisch ook) omgehakt moeten worden. Dat is het rijsje uit de afgehouwen tronk van Isaï (Jesaja 11 : 1).

Hier hebben we de geschiedenis van de zondaar die omgehakt wordt en desondanks weer tot nieuw leven komt. Het is in de eerste plaats van toepassing op Christus, Die wedergeboren werd en ook op ons die Hem gevolgd zijn in de wedergeboorte (Matthéüs 19 : 28). Hieruit volgt dat de dood van Adam een functie vervulde in het verlossingsplan van God: anders had hij niet behouden kunnen worden. Men moet sterven en opstaan, namelijk wedergeboren worden. 

Johannes 12 : 24

24 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort.

Het beeld van het tarwegraan wordt daar in de eerste plaats van toepassing gebracht op de Here Jezus Zelf.

 

Matthéüs 13 : 38

38 En de akker is de wereld; en het goede zaad zijn de kinderen (= zonen) des Koninkrijks; en het onkruid zijn de kinderen (= zonen) des bozen;

Hieruit volgt dat het zaad geen beeld is van dingen, maar van mensen. In 1 Korinthe 15 : 36 gaat het over wedergeboorte, maar speciaal over de wedergeboorte van het lichaam. Het lichaam wordt gezaaid in oneer (vers 43) en opgewekt in heerlijkheid. Het zaaien (de begrafenis) van het lichaam wordt vergeleken met het zaaien van tarwegraan.

 

1 Korinthe 15 : 35, 36

35 Maar, zal iemand zeggen: Hoe zullen de doden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen? 36 Gij dwaas, hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is; 

Als men dergelijke zaken niet weet is men een dwaas. Er is geen leven dan alléén na de dood. Het zaaien wordt toegepast op de dood van de mens,omdat wij verwachten dat het weer "opkomt". Dat is het grote verschil tussen begraven en cremeren. Als men iemand begraaft geeft men daarmee uitdrukking aan zijn geloof in de opstanding. Dat is de enige reden waarom wij begraven. Dit principe wordt toegepast in Johannes 12, waar het over het tarwegraan gaat.

 

Johannes 12 : 25

25 Die zijn leven (psuchè) liefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn leven (psuchè) haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven (zoë).

Net als het tarwegraan moet de zondaar sterven om van de zonde af te komen.

 

Romeinen 5 : 21

21 Opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot den dood, alzo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heere. 

Opdat de genade zou heersen in plaats van de zonde, worden we uit de dood opgewekt (het rijsje) en zijn we met Christus opgewekt. De overige aspecten van de bedeling komen vanzelf aan de orde in de andere bedelingen, vanwege de verschillen die er met de andere bedelingen zijn.

 

Terug naar begin

Copyright © 201 www.bijbelstudie.nl. Auteur Ab Klein Haneveld. Alle rechten voorbehouden.
Bewerking lay-out www.eindtijdinbeeld.nl Auteur Melle Velema.