Bedelingen Gods 


De bedeling van de wet (nr. 4)

  1. Ter inleiding.
  2. De totstandkoming van het volk IsraŽl.
  3. De functie van de wet.
  4. Het getal vier.
  5. De vierde dag.
  6. De vierde stamvader.
  7. De vierde vrucht.
  8. Einde van de vierde bedeling.

Ter inleiding.

De vierde bedeling begon bij de totstandkoming van het volk IsraŽl bij de uittocht uit Egypte. Daarvůůr waren het "de kinderen IsraŽls". De kinderen IsraŽls trokken uit Egypte. In de woestijn werden ze een volk: ze kregen een wet. De wet werd vijftig dagen na de uittocht uit Egypte op de SinaÔ gegeven. De bedeling werd pas werkelijk gevestigd bij de vestiging in Kanašn. Grote delen van de wet spreken over: "Wanneer gij in het land zult gekomen zijn, ..." enzovoort. De veertig jaren in de woestijn waren een soort overgangsfase. We hebben aan de ene kant te maken met de officiŽle datum van het begin van deze bedeling en vervolgens met een periode van tijd waarin de regels van die huishouding bekendgemaakt werden en tot stand kwamen. Het einde der wet is Christus. 

Romeinen 10 : 4

4 Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een ieder, die gelooft.

 

Romeinen 7 leert dat de wet zijn werking verliest bij het overlijden van ťťn van beide partijen. 

Romeinen 7 : 1

1 Weet gij niet, broeders! (want ik spreek tot diegenen, diede wet verstaan) dat de wet heerst over den mens, zo langen tijd als hij leeft?

 

Dit betekent dat de wet bij de kruisiging van de Here Jezus eindigde. Dat was het definitieve einde van de bedeling van de wet. De wet is vervuld en daarmee voltooid. De overeenkomst hield op toen de Heer (de Man) stierf. Dat de Heer daarna weer opstond, was de grote verrassing. Onze zegeningen zijn verbonden aan dat feit. De wet doodt. 

Romeinen 7 : 10

10 En het gebod, dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden.

 Dit betekent dat de wet bij de kruisiging van de Here Jezus eindigde. Dat was het definitieve einde van de bedeling van de wet.

Men kan wel zeggen: "Gij zult niet doden", maar de wet doodt zelf! Dingen die per definitie rechtvaardig, heilig en goed zijn (Romeinen 7 : 12), hebben een negatieve uitwerking op het vlees. Aan de wet mankeert niets, maar aan de mens (op wie die wet gelegd werd) mankeert van alles. De wet beschermt de mens niet, maar hij veroordeelt en doodt de mens. Christus is het einde der wet tot rechtvaardiging van een ieder die gelooft (Romeinen 10 : 4). De wet werd aan IsraŽl gegeven (Exodus 24 : 12; Deuteronomium 4 : 8-14). 

Psalmen 78 : 5

5 Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in IsraŽl; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken;

 

De term "wet" geldt in de Bijbel niet alleen voor "de tien geboden", maar voor de vijf boeken van Mozes. Er zit dus veel mťťr aan vast. Het gaat om het Woord van God dat aan IsraŽl geopenbaard is. Het woord "wet" dient met "onderwijzing" vertaald te worden. Als een volk de wet moet beheren, dan moet zo’n volk die wet voor andere volken beheren. Dat was de taak van IsraŽl. De consequentie kon zijn dat mensen uit die volkeren ook onder het Woord van God wilden leven. Als zij die wet accepteerden kregen zij ook deel aan het burgerschap van IsraŽl. De heidenen hebben de wet nooit ontvangen. 

Romeinen 2 : 14

14 Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn, deze, de wet niet hebbende, zijn zichzelven een wet;

 

Er staat echter bij dat de heidenen zichzelf tot wet zijn. Dit betekent dat het geven van de wet (ter bescherming van de mens) volstrekt overbodig was, omdat de mens van nature een ingebouwde wet heeft. Als de heidenen zelf een wet hadden, had IsraŽl die ook. De IsraŽlieten kenden van nature, via hun geweten, ook zo’n wet. De wet was er opdat daardoor de kennis der zonde zou zijn. Het is de kennis van de zonde-natuur. Er is maar ťťn manier om van de zonde af te komen: sterven! 

Romeinen 6 : 7

7 Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde.

 

Wanneer men gestorven is, dan is men niet (meer) onder de wet. Wanneer iemand tot geloof komt,wordt hij door God als dood gerekend (= met Christus gekruisigd en gestorven). Daardoor wordt hij wedergeboren (= met Christus opgestaan). Hij eet niet meer van de boom der kennis van goed en kwaad, maar hij eet van de boom des levens: Christus. Hij is in Christus een nieuwe schepping  geworden. De wet was geen samenvatting van de ethiek. Het was de nationale wet van IsraŽl. De tien geboden worden door Jezus samengevat in ťťn gebod (het tweede gebod is namelijk gelijk aan het eerste). 

MatthťŁs 22 : 37-40

37 En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand.

38 Dit is het eerste en het grote gebod.

39 En het tweede aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.

40 Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.

 

De nationale wet van IsraŽl gold voor geen enkele heiden.  

Handelingen 15 : 10

10 Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?

 

Heidenen die tot geloof komen worden niet onder de wet geplaatst. Paulus zegt later dat hem alle dingen geoorloofd zijn. Er worden wel bepaalde dingen aanbevolen. Het nieuwe leven onderwerpt zich aan de wil van God. De oude mens doet dat niet.  

Romeinen 8 : 7

7 Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.

 

Wij hebben nieuw leven/Geest in ons ontvangen en daardoor worden wij (als het goed is) geleid.

 

Terug naar begin

De totstandkoming van het volk IsraŽl.

De verlossing van IsraŽl uit Egypte was een geboorte. 

EzechiŽl 16 : 4, 5

4 En aangaande uw geboorten: ten dage, als gij geboren waart, werd uw navel niet afgesneden; en gij waart niet met water gewassen, toen Ik u aanschouwde; gij waart ook geenszins met zout gewreven, noch in windselen gewonden.

5 Geen oog had medelijden over u, om u een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uw ziel, ten dage, toen gij geboren waart.

 

God was Zelf de Verwekker van IsraŽl en daarom de Vader. De moeder was Egypte, want daaruit werd IsraŽl geboren. Egypte vervulde ten opzichte van IsraŽl de moederrol. Dit verklaart waarom er in de Schrift altijd verband bestaat tussen IsraŽl en Egypte. God roept er zelfs Zijn Zoon vandaan. 

Hosea 11 : 1

1 Als IsraŽl een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.

 

Dit vers wordt gedeeltelijk in MatthťŁs 2 aangehaald. 

MatthťŁs 2 : 14, 15

14 Hij (Jozef) dan opgestaan zijnde, nam het Kindeken en Zijn moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte;

15 En was aldaar tot den dood van Herůdes; opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heere gesproken is door den profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.

 

De profetie uit Hosea 11 : 1 is op IsraŽl van toepassing. In MatthťŁs 2 wordt deze profetie tevens op de Zoon, de Here Jezus, toegepast. Het is een verwijzing naar het verleden, maar bovendien wijst het naar wat toťn nog toekomst was. Wanneer men zegt dat die zoon van God "Abraham" was, dan is dat juist. Abraham kwam vanuit Ur der ChaldeeŽn in Kanašn en als ťťn van de eerste dingen reisde hij naar Egypte. Hij werd toen op een merkwaardige wijze familie van farao. Zijn zuster/vrouw (SaraÔ) kwam in de harem van de farao terecht. Daardoor werd een verband gelegd tussen de koning van Egypte en Abraham, die koning/erfgenaam der volken zou zijn. Abraham keerde daarna terug naar Kanašn.

IsraŽl werd uit Egypte geboren en daarom onderging Egypte inderdaad de pijn en de smart van haar dracht, namelijk de negen plagen van Egypte (een beeld van de negen maanden zwangerschap). De tiende plaag kwam over Egypte ťn over IsraŽl. De tiende plaag heeft met de geboorte als zodanig te maken; niet met de zwangerschap. Er was een groot verschil tussen de eerste negen plagen en de tiende plaag. Deze plaag zou ook over IsraŽl komen, maar er werden maatregelen tegen genomen en daarom gebeurde het onder IsraŽl niet. Men moest het paaslam slachten en het bloed ervan aan de (drie) deurposten smeren, omdat de engel zou voorbijgaan. Wanneer er geen bloed aan de deurposten zou zijn, dan zouden de eerstgeborenen onder IsraŽl ook sterven, want de plaag was speciaal over IsraŽl aangekondigd.

Men moest het paaslam slachten en het bloed ervan aan de (drie) deurposten smeren, omdat de engel zou voorbijgaan.

De verlossing van IsraŽl uit Egypte komt overeen met een geboorte en in die termen wordt er ook over gesproken. De weg van de geboorte is de weg van de "twee" naar de "ťťn". Uit de twee (man en vrouw), komt de ťťn voort: het kind. Wanneer twee ťťn worden, kan men dat ook "verzoening" noemen. Hierdoor wordt automatisch verband gelegd tussen "verzoening" en "geboorte". De weg van verlossing is de weg van voortplanting, want verlossing komt via wedergeboorte (waarvan de natuurlijke geboorte een beeld is) tot stand. Het oude sterft en het nieuwe komt ervoor in de plaats. Zo krijgt het woord "verlossing" twee toepassingen: ťťn in verband met de natuurlijke geboorte, want dat noemen wij ook verlossing en ťťn in verband met de geestelijke geboorte. Dit is de verlossing van de zonde. De geschiedenis van IsraŽl begint met een geboorte. Die geboorte was uit Egypte. In de Bijbel wordt Egypte aangeduid met "Mitsram". Hij was de zoon van Cham en kleinzoon van Noach. 

Genesis 10 : 6

6 En de zonen van Cham zijn: Cusch en MitsraÔm, en Put, en Kanašn.

 

"MitsraÔm" eindigt op de uitgang "aÔm". Dit is een dualis (tweevoud). Er waren twee Egyptes: een noordelijk en een zuidelijk rijk. Egypte is per definitie verdeeld. MitsraÔm betekent "lijden in tweeheid". MitsraÔm is een type van een dualistische wereld. Het wijst op het lijden van deze tegenwoordige wereld, vanwege zijn verdelingen. Het dubbele Egypte is een beeld van deze dualistische - verdeelde - wereld met alles dat een tegenkant heeft. Het lijden van de tegenwoordige wereld ligt in de naam "MitsraÔm" opgesloten. Gelovigen zijn ervan verzekerd dat het lijden van de tegenwoordige wereld niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden (Romeinen 8 : 18). Men kan het ook toepassen op de situatie van IsraŽl, dat uit Egypte geboren werd. Egypte leed, omdat het voort moest brengen. Dat is een vrouwelijke functie: de zwangerschap. "MitsraÔm" (Mlwexm = 40-90-200-10-40). Het heeft een getalswaarde van 380. IsraŽl ging van Egypte naar Kanašn. Kanašn (Nebg) = 20-50-70- 50) heeft een getalswaarde van 190. MitsraÔm verhoudt zich tot Kanašn als 380 : 190. Dit is de verhouding 2 : 1. De weg van Egypte naar Kanašn is de weg van de twee naar de ťťn. Dit is de weg van de verzoening. Het waren twee personen, namelijk Mozes en Ašron, die IsraŽl uit moesten leiden uit Egypte. Toen IsraŽl Kanašn binnen moest trekken, leidde Jozua hen allťťn binnen. IsraŽl werd door twee personen uitgeleid, maar door ťťn persoon het land binnengeleid: weer dezelfde verhouding van 2 : 1.

Deze verhouding vinden we ook in het leven van Mozes zelf. Hij was bij de uittocht 80 jaar oud en daarna leefde hij nog 40 jaar. Toen het volk Kanašn binnen zou trekken stierf Mozes. De verhouding is bij hem 80 : 40, hetgeen overeenkomt met 2 : 1. 

Een geboorte vindt via water plaats. Dit wordt in het Nieuwe Testament geleerd, maar ook in de natuur is het zo. Water is een beeld van het Woord van God Dat leven voortbrengt. Zo is het ook met IsraŽl. Zij werd uit Egypte geboren. IsraŽl hoefde, zuiver historisch gezien, niet door de Schelfzee, maar de Heer leidde haar zo (Genesis 13 : 18). Ze moest vanwege de typologie door de Schelfzee trekken. Om precies dezelfde reden moesten Abraham en de Here Jezus eerst naar Egypte. Door het water wordt men verlost, namelijk door het Woord van God. "Water" is een beeld van de dood, maar door de dood wordt men verlost. De wateren van de Schelfzee "braken" en dat is ook de uitdrukking bij een normale bevalling. Het heet "de wateren breken", omdat het met geweld gebeurt en omdat het een ingrijpen van God is in de natuurlijke gang van zaken. IsraŽl werd verlost, het water brak en IsraŽl vertrok uit Egypte, uit het moederlichaam. Na de geboorte van IsraŽl volgde "de bruidstijd". 

Jeremia 2 : 1, 2

1 En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:

2 Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij na wandeldet in de woestijn, in onbezaaid land.

 

Er wordt gesproken over de eerste dagen van IsraŽl in de woestijn: na de doortocht door de Schelfzee tot aan de komst van de wet (na vijftig dagen). Er wordt dus gesproken over de ondertrouw van de HEERE en IsraŽl. De huwelijkssluiting vinden we onder andere in: 

EzechiŽl 16 : 7, 8

7 Ik heb u tot tien duizend, als het gewas des velds, gemaakt; en gij zijt gegroeid, en groot geworden, en zijt gekomen tot grote sierlijkheid; uw borsten zijn vast geworden, en uw haar is gewassen, doch gij waart naakt en bloot.

8 Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd der minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE en gij werdt de Mijne.

 

De Heer zwoer IsraŽl trouw en kwam met IsraŽl in een verbond en zij werd de Zijne. IsraŽl werd "Ammi" (lme), Gods volk. Het verbond der wet is het oude verbond, in tegenstelling tot het nieuwe verbond waarover in Jeremia 31 wordt gesproken. 

Jeremia 31 : 31, 32

31 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van IsraŽl en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;

32 Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE;

 

Er zal tussen de HEERE en IsraŽl een nieuw verbond komen. Dat nieuwe verbond zal met hťťl IsraŽl, namelijk met Juda (de twee stammen) ťn IsraŽl (de tien stammen) gesloten worden. Dat is niet in overeenstemming met het verbond dat Hij met hun vaderen sloot toen Hij hun hand aangreep om hen uit Egypte uit te leiden. De Heer zegt: "Mijn verbond". Het is hetzelfde verbond dat in EzechiŽl 16 wordt genoemd. De Heer had hen trouw beloofd en het was dus een "trouwerij". De essentie van het huwelijk is wederzijdse "trouw". Het was een huwelijksverbond, want de Heer had hen getrouwd. IsraŽl heeft dat verbond ongeldig gemaakt. Er is een einde gekomen aan de verhouding die er was. Het oude verbond was het verbond van de wet en dat was een huwelijksverbond. Deze geschiedenis wordt letterlijk door Hosťa uitgebeeld.  

Hosea 1 : 2

2 Het begin van het woord des HEEREN door Hosťa. De HEERE dan zeide tot Hosťa: Ga henen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter den HEERE.

 

Hosťa moest een vrouw nemen (Gomer), omdat zijn huwelijk een afbeelding was van de verhouding tussen de Heer en IsraŽl (een huwelijksverhouding). In de Bijbel is "hoererij" hetzelfde als "overspel". "Hoererij" is van toepassing op de afgodendienst van IsraŽl: ontrouw aan de Heer. Hoererij is (in Schriftuurlijke zin) pas mogelijk als men getrouwd is (ťn wanneer men een vrouw is). Dit  huwelijksverbond blijkt ook uit Romeinen 7 : 1, 2. 

Romeinen 7 : 1, 2

1 Weet gij niet, broeders! (want ik spreek tot diegenen, die de wet verstaan) dat de wet heerst over den mens, zo langen tijd als hij leeft?

2 Want een vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans.

 

IsraŽl was met de Heer getrouwd. Aangezien de Heer is overleden is de vrouw vrij om met een ander te trouwen; bijvoorbeeld (en bij voorkeur) met Degene Die uit de dood is opgewekt: Christus. Er kwam een eind aan het oude huwelijk. Het nieuwe verbond zal een nieuw huwelijk tussen de Heer en IsraŽl zijn. 

Exodus 34 : 12

12 Wacht u, dat gij toch geen verbond maakt met den inwoner des lands, waarin gij komen zult; dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u.

 

IsraŽl mocht geen verbond sluiten met welk volk dan ook, omdat IsraŽl al een verbond met de Heer had. Wanneer men met een ander volk een verbond sloot, sloot men tevens een verbond met de goden van dat volk. Aangezien zij een verbond hadden met hun eigen God wordt het door de Heer Zelf als "overspel" uitgelegd. 

Exodus 34 : 13, 14

13 Maar hun altaren zult gijlieden omwerpen, en hun opgerichte beelden zult gij verbreken, en hun bossen zult gij afhouwen.

14 (Want gij zult u niet buigen voor een anderen god; want des HEEREN Naam is IJveraar! een ijverig God is Hij!)

 

"Bossen" is de omschrijving voor opgerichte houten beelden. Aan de ene kant is het een fallussymbool, maar aan de andere kant is het de voorstelling van een god. De Heer is de Echtgenoot en Hij is jaloers. Hij duldt niet dat er in IsraŽl, Zijn land/huis, beelden of altaren van andere goden staan.  

Exodus 34 : 15

15 Opdat gij misschien geen verbond maakt met den inwoner van dat land; en zij hun goden niet nahoereren, noch hun goden offerande doen, en hij u nodigende, gij van hun offerande etet.

Aan de ene kant is het een fallussymbool, maar aan de andere kant is het de voorstelling van een god. 

Al deze dingen moesten weggedaan worden, omdat de Heer Zijn volk afzonderde van de andere volkeren opdat zij niet in de verleiding zouden komen om een andere god/man te dienen. Daarom staat in Exodus 34 : 17 dat zij zich geen gegoten goden zouden maken. Uit dit gedeelte valt op te maken dat het oude verbond van de wet een huwelijksverbond was tussen de Heer en IsraŽl. Dit is het enige huwelijk dat in de Schrift telt en daarom is het een modelhuwelijk waarin wordt geÔllustreerd hoe een huwelijk in elkaar zit en wat de idealen ervan zijn. De bruid moet "ja" zeggen, zo blijkt uit de woorden van Mozes, die de woorden van de HEERE tegen IsraŽl sprak. 

Exodus 19 : 4-8

4 Gijlieden hebt gezien, wat Ik den Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen, en u tot Mij gebracht heb.

5 Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn;

6 En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen IsraŽls spreken zult.

7 En Mozes kwam en riep de oudsten des volks, en stelde voor hun aangezichten al deze woorden, die de HEERE hem geboden had.

8 Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zeide: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden des volks weder tot den HEERE.

 

Dit is een lange manier om "ja" te zeggen. Het volk beloofde de Heer trouw: het ja-woord van IsraŽl. Het wordt enkele keren herhaald. 

Exodus 24 : 3, 7

3 Als Mozes kwam en verhaalde aan het volk al de woorden des HEEREN, en al de rechten, toen antwoordde al het volk met ťťn stem, en zij zeiden: Al deze woorden, die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.

7 En hij nam het boek des verbondsgedachte, en hij las het voor de oren des volks; en zij zeiden: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en gehoorzamen.

 

Deuteronomium 5 : 27

27 Nader gij, en hoor alles, wat de HEERE, onze God, zeggen zal; en spreek gij tot ons al wat de HEERE, onze God, tot u spreken zal, en wij zullen het horen en doen.

 

"Horen" betekent aanvaarden, accepteren en geloven. IsraŽl kwam na de huwelijkssluiting in de echtelijke woning te wonen. Die stond en staat nog steeds op naam van de man. Er is er maar ťťn Die recht heeft op Palestina en dat is de Heer Zelf. Het is de echtelijke woning van de Heer. Toen IsraŽl met de Heer trouwde, hoorde zij (als Zijn vrouw) in die echtelijke woning te wonen. Toen zij van de Heer gescheiden werd, omdat zij overspel had gepleegd, hoorde ze in dat huis niet thuis.  

Leviticus 25 : 23

23 Het land ook zal niet voor altoos verkocht worden; want het land is het Mijne, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt.

 

IsraŽl woonde bij de Heer in. Het land was (en is) van de Heer. De Heer droeg IsraŽl over de drempel: de doortocht door de Jordaan. IsraŽl is heel officieel het land binnengetrokken. Het land mocht niet voor altijd verkocht worden, want het land was slechts in "bruikleen". Het land was geen persoonlijk bezit. Men kon het land aan elkaar verkopen, maar aangezien het land van de Heer was, konden ze het slechts voor een bepaalde tijd verkopen. Eens in de 49 jaar (in het vijftigste jaar) moest het land aan de oorspronkelijke bezitter (of diens erfgenaam) teruggegeven worden. In de praktijk betekende dat dus altijd, vanwege die 50 jaar dat het aan de erfgenaam werd teruggegeven. IsraŽl heeft die wetten nooit gehanteerd, maar daarom gold die wet wťl. Het waren door de Heer opgestelde regels. In het Messiaanse rijk zullen dezelfde wetten weer (of eigenlijk: voor het eerst) toegepast worden.

In 2 Kronieken 7 lezen wij over de inwijding van de tempel. Bij die gelegenheid werd het verbond met IsraŽl nog een keer tussen de Heer en SŠlomo bevestigd. SŠlomo is een type van Christus bij Zijn wederkomst.  

2 Kronieken 7 : 19, 20:

19 Maar zo gijlieden u afkeren zult, en Mijn inzettingen en Mijn geboden, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb, verlaten, en henengaan, en andere goden dienen, en u voor die nederbuigen zult;

20 Zo zal Ik hen uitrukken uit Mijn land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen, en zal het tot een spreekwoord en spotrede onder alle volken maken.

 

Zoals IsraŽl "Mijn volk" wordt genoemd, zo wordt Palestina door de Heer "Mijn land" genoemd. 

Psalmen 85 : 2

2 Gij zijt Uw lande gunstig geweest, HEERE! de gevangenis van Jakob hebt Gij gewend.

 

Dit spreekt over het toekomstige herstel van IsraŽl, na de grote verdrukking, wanneer de Heer Zich gewend heeft van de hittigheid Zijns toorns (vers 4). Bij hun bekering zal IsraŽl niet meer spreken over "ons land" of "het land van onze vaderen", maar ze zal dan zeggen: "Gij zijt Uw Land gunstig geweest ...". Slechts de Heer kan rechten op het land laten gelden. Hij geeft het land aan wie Hij wil, namelijk aan Zijn vrouw, als zij Hem trouw is. 

Jesaja 14 : 1, 2

1 Want de HEERE zal Zich over Jakob ontfermen, en Hij zal IsraŽl nog verkiezen, en Hij zal hen in hun land zetten; en de vreemdeling zal zich tot hen vervoegen, en zij zullen het huis van Jakob aanhangen.

2 En de volken zullen hen aannemen, en in hun plaats brengen; en het huis IsraŽls zal hen erfelijk bezitten in het land des HEEREN tot knechten en tot maagden; en zij zullen gevangen houden diegenen, die hen gevangen hielden, en zij zullen heersen over hun drijvers.

 

Toen IsraŽl tot geloof gekomen was, werd het "hun land". Toen gaf de Heer het aan haar en mocht zij erin wonen. Vers 1 en 2 zijn niet tegenstrijdig. Het betekent dat het land van de Heer ter beschikking van IsraŽl stond. Palestina is het land waarin Man en vrouw, namelijk de Heer en IsraŽl, samen woonden en ook weer zullen wonen: een nieuw huwelijk, onder een nieuw verbond. De aanleiding voor het einde van het huwelijk was hoererij. 

Exodus 20 : 2-5

2 Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.

3 Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

4 Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.

5 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;

 

De Heer zegt: "Ik ben de HEERE, uw God en gij zijt Mijn volk". Dit is alleen zo als IsraŽl trouw is aan de wet. De wet wordt samengevat in: "Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben". De essentie van het huwelijk is "trouw". Een huwelijk wordt ontbonden/vernietigd als er sprake is van ontrouw, namelijk overspel of hoererij. 

Exodus 34 : 10-13

10 Toen zeide Hij: Zie, Ik maak een verbond; voor uw ganse volk zal Ik wonderen doen, die niet geschapen zijn op de ganse aarde, noch onder enige volken; alzo dat dit ganse volk, in welks midden gij zijt, des HEEREN werk zien zal, dat het schrikkelijk is, hetwelk Ik met u doe.

11 Onderhoudt gij hetgeen Ik u heden gebiede! zie, Ik zal voor uw aangezicht uitdrijven de Amorieten, en de Kanašnieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten.

12 Wacht u, dat gij toch geen verbond maakt met den inwoner des lands, waarin gij komen zult; dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u.

13 Maar hun altaren zult gijlieden omwerpen, en hun opgerichte beelden zult gij verbreken, en hun bossen zult gij afhouwen.

 

Dit gedeelte is een waarschuwing van de Man aan de vrouw tegen hoererij, want anders loopt het verkeerd met haar af. 

EzechiŽl 16 : 9, 13, 14

9 Daarna wies Ik u met water, en Ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie.

13 Zo waart gij versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; gij at meelbloem, en honig, en olie, en gij waart gans zeer schoon, en waart voorspoedig, dat gij een koninkrijk werdt.

14 Daartoe ging van u een naam uit onder de heidenen om uw schoonheid; want die was volmaakt door Mijn heerlijkheid, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere HEERE.

Ez.16:25 ... en hebt met uw benen geschreden voor een ieder, die voorbijging, en hebt uw hoererijen vermenigvuldigd. 

De heerlijkheid van de vrouw is die van de man (vergelijk 1 Korinthe 11 : 7). IsraŽl was volmaakt door de heerlijkheid die Adůnia Jehovah (de Heere HEERE) haar gegeven had. Dan komt de tegenstelling in: 

EzechiŽl 16 : 15-17

15 Maar gij hebt vertrouwd op uw schoonheid, en hebt gehoereerd vanwege uw naam; ja, hebt uw hoererijen uitgestort aan een ieder, die voorbijging; voor hem was zij.

16 En gij hebt van uw klederen genomen, en u gemaakt geplekte hoogten, en hebt daarop gehoereerd; zulks is niet gekomen, en zal niet geschieden.

17 Daartoe hebt gij genomen de vaten uws sieraads van Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en gij hebt u mansbeelden gemaakt, en gij hebt met dezelve gehoereerd.

 

Met de dingen die zij van haar Man had gekregen, maakte ze voor zichzelf een andere man met wie zij overspel pleegde. 

EzechiŽl 16 : 18, 19

18 En gij hebt uw gestikte klederen genomen, en hebt ze bedekt; en gij hebt Mijn olie en Mijn reukwerk voor hun aangezichten gesteld.

19 En Mijn brood, hetwelk Ik u gaf, meelbloem en olie, en honig, waarmede Ik u spijsde, dat hebt gij ook voor hun aangezichten gesteld tot een liefelijken reuk; zo is het geschied, spreekt de Heere HEERE.

 

Wat daar gebeurde is ongelooflijk. IsraŽl pleegde overspel met wie zij wilde. 

EzechiŽl 16 : 25, 26

25 Aan elk hoofd des wegs hebt gij uw hoge plaatsen gebouwd, en hebt uw schoonheid gruwelijk gemaakt, en

hebt met uw benen geschreden voor een ieder, die voorbijging, en hebt uw hoererijen vermenigvuldigd.

26 Gij hebt ook gehoereerd met de kinderen van Egypte, uw naburen, die groot van vlees zijn; en gij hebt uw hoererij vermenigvuldigd, om Mij tot toorn te verwekken.

 

EzechiŽl 16 : 32-34

32 O, die overspelige vrouw, zij neemt in plaats van haar man de vreemden aan.

33 Men geeft loon aan alle hoeren; maar gij geeft uw loon aan al uw boelen, en gij beschenkt ze, opdat zij tot u van rondom zouden ingaan om uw hoererijen.

34 Zo geschiedt met u in uw hoererijen het tegendeel van de vrouwen, dewijl men u niet naloopt, om te hoereren; want als gij hoerenloon geeft, en het hoerenloon u niet gegeven wordt; zo zijt gij tot een tegendeel geworden.

 

Dit is het tegenovergestelde van wat er met een gewone hoer gebeurt. Ze moest er zťlf voor betalen. Het kostte haar van alles en toch deed zij het. Het geld waarmee zij haar minnaars betaalde had ze van de Heer ontvangen. De Heer gaf het haar en IsraŽl maakte er juist afgodsbeelden van. De Heer maakte Zich daar erg kwaad over en noemde IsraŽl "die overspelige vrouw". 

EzechiŽl 16 : 35, 36

35 Daarom, o hoer, hoor des HEEREN woord.

36 Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat uw vergif uitgestort is, en uw schaamte door uw hoererijen met uw boelen ontdekt is, en met al de drekgoden uwer gruwelen, en na het bloed uwer kinderen, dat gij hun gegeven hebt;

 

Wat hier in enkele teksten gezegd wordt is gruwelijk. Door de hoererij van IsraŽl kwam er een einde aan het huwelijk dat de Heer met IsraŽl gesloten had. Er was geen sprake meer van "trouw" en dus ook niet van "trouwerij". Na de hoererij volgde de scheiding. Het huwelijk tussen de Heer en IsraŽl werd gedeeltelijk ontbonden. Het begrip "scheiding" wordt alleen op de tien stammen van IsraŽl van toepassing gebracht; niet op de twee stammen.

In de wet wordt uitgebreid gezegd op grond waarvan echtscheiding geregeld kon worden. Het was niet ideaal en het was ook niet de bedoeling, maar de wet was zo genadig om in een methode tot echtscheiding te voorzien. Een scheiding is een voortijdig einde van een huwelijk. Een normaal huwelijk eindigt met de dood van ťťn van beide partijen. De bedeling van de wet eindigde door de dood van de Here Jezus (Romeinen 7). De wet zegt in:

 

Deuteronomium 24 : 1

1 Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het geschieden, indien zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis. 

Een huwelijk is dť afbeelding van de verhouding tussen de Heer en IsraŽl. Daarom is deze wetgeving in de eerste plaats van toepassing op de Heer en IsraŽl. De Heer gaf een scheidbrief en liet haar (de tien stammen) uit Zijn huis gaan. IsraŽl (de vrouw) werd verstrooid: het land uitgejaagd.

 

Deuteronomium 24 : 2-4

2 Zo zij dan, uit zijn huis uitgegaan zijnde, zal henengaan en een anderen man ter vrouwe worden,

3 En deze laatste man haar gehaat, en haar een scheidbrief geschreven, en in haar hand gegeven, en haar uit zijn huis zal hebben laten gaan; of als deze laatste man, die ze voor zich tot een vrouw genomen heeft, zal gestorven zijn;

4 Zo zal haar eerste man, die haar heeft laten gaan, haar niet mogen wedernemen, dat zij hem ter vrouwe zij, nadat zij is verontreinigd geworden; want dat is een gruwel voor het aangezicht des HEEREN; alzo zult gij het land niet doen zondigen, dat u de HEERE, uw God, ten erve geeft.

 

Het gaat hier niet in de eerste plaats om mensen in het algemeen, maar om de Heer en IsraŽl. Een huwelijk kon op grond van overspel ontbonden worden. Overspel was geen reden tot scheiding, maar de basis. De man was niet verplicht zijn vrouw weg te sturen toen zij overspel gepleegd had. De werkelijke reden tot echtscheiding was niet het overspel van de vrouw, maar het feit dat de man geen genade wilde laten gelden. Hoewel de vrouw fout was lag de verantwoordelijkheid van de scheiding bij de man. Het was een gebrek aan genade van de kant van de man. Dat verklaart (hoewel heel IsraŽl overspel pleegde) waarom de Heer slechts de tien stammen met een scheidbrief wegzond. De twee stammen vonden wťl genade in Zijn ogen. Hij had daar een goede reden voor: Juda, de vrouw, moest nog steeds voortbrengen en werd daarom niet weggezonden.  

In Markus 10 legde de Heer uit dat het huwelijk in beginsel voor eeuwig is. Aangezien de mens sterfelijk is,wordt het huwelijk tijdelijk. Er zal in de toekomst een nieuw huwelijk tussen de Heer en IsraŽl worden gesloten. Dat huwelijk zal eeuwig duren en niet door scheiding of dood worden beŽindigd. 

Jeremia 3 : 1

1 Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt met veel boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de HEERE.

 

Dit is rechtstreeks uit de wet geciteerd (Deuteronomium 24). Het huwelijk was door een scheiding ontbonden. De man mocht die vrouw niet terugnemen. Daarom nam de Heer IsraŽl ook niet terug. De Heer stierf en IsraŽl stierf ook. Daarna worden ze beide wedergeboren; eerst de Heer en dan IsraŽl. Dan zij ze beide eerstelingen van een nieuwe schepping en gaan een huwelijk aan. Dat is geen terugnemen! De Bruidegom trouwt in de toekomst met een reine maagd.

Jeremia 3 : 8

8 En Ik zag, als Ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde IsraŽl (= de tien stammen) overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zuster Juda (= de twee stammen), niet vreesde, maar ging henen, en hoereerde zelve ook.

 

De tien stammen zijn met een scheidbrief weggestuurd. 

Jeremia 3 : 14, 20

14 Bekeert u, gij afkerige kinderen! spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion. 20 Waarlijk, gelijk een vrouw trouwelooslijk scheidt van haar vriend, alzo hebt gijlieden trouwelooslijk tegen Mij gehandeld, gij huis IsraŽls! spreekt de HEERE.

 

Er was in ieder geval sprake van een scheiding tussen de tien stammen en de Heer. In Jesaja 50 : 1 wordt daaraan nog een keer gerefereerd.  

Jesaja 50 : 1

1 Alzo zegt de HEERE: Waar is de scheidbrief van ulieder moeder, waarmede Ik haar weggezonden heb? Of wie is er van Mijn schuldeisers, aan wien Ik u verkocht heb? Ziet, om uw ongerechtigheden zijt gij verkocht, en om uw overtredingen is uw moeder weggezonden.

 

IsraŽl werd weggezonden ("uw moeder" is een vůůrgaande generatie). 

MatthťŁs 19 : 3-5

3 En de FarizeŽn kwamen tot Hem, verzoekende Hem, en zeggende tot Hem: Is het een mens geoorloofd zijn vrouw te verlaten, om allerlei oorzaak?

4 Doch Hij, antwoordende, zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, Die van den beginne den mens gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw?

5 En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot ťťn vlees zijn;

 

Er staat niet: "ze hebben ťťn lichaam",maar: "ze zijn ťťn lichaam". "Vlees" staat voor de materie in het algemeen; de zienlijke dingen. Het moet duidelijk zijn dat man en vrouw twee lichamen hebben. De Heer zegt in: 

MatthťŁs 19 : 6

6 Alzo dat zij niet meer twee zijn, maar ťťn vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.

 

Hier wordt niet geleerd dat God een bepaalde man samenvoegt met een bepaalde vrouw,want dat doen die man en vrouw zelf. God is de Insteller, maar niet de Bevestiger van het huwelijk. Met het antwoord van de Heer namen de FarizeŽn geen genoegen. Dat is terecht,want de Heer refereerde slechts aan Genesis 1 en 2. Hij liet daarmee de wet buiten beschouwing wat door de Schriftgeleerden niet werd geaccepteerd. 

MatthťŁs 19 : 7

7 Zij zeiden tot hem: Waarom heeft dan Mozes geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten?

 

Mozes had niet geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten. Mozes had geboden dat de man - als er een aanleiding was de vrouw te verlaten - een scheidbrief moest schrijven. 

MatthťŁs 19 : 8

8 Hij zeide tot hen: Mozes heeft vanwege de hardigheid uwer harten u toegelaten uw vrouwen te verlaten; maar van den beginne is het alzo niet geweest.

 

De Heer legde uit dat de man de vrouw onder bepaalde omstandigheden mocht wegsturen, namelijk vanwege de "hardigheid van zijn hart". Als de vrouw geen genade vond in de ogen van de man, trad die wet in werking. Door de komst van de wet werd een echtscheiding wettelijk en daarmee legaal. 

MatthťŁs 19 : 9

9 Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, die doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet ook overspel.

 

Wanneer een man de hoererij van zijn vrouw niet kon vergeven, mocht hij haar wegzenden. Wie de verlatene trouwde, pleegde overspel. Een echtscheiding vindt plaats opdat de partijen weer vrij zouden zijn. Dat betekent: vrij om met een ander te trouwen. Een scheiding werd bij de wet geregeld,omdat een eventueel volgend huwelijk ook bij de wet geregeld moest worden. "De verlatene" is degene die niet gescheiden is en zonder scheidbrief is weggezonden. Diens echtscheiding was dus helemaal niet geregeld. Wie zo iemand trouwde, trouwde met iemand die officieel nog volgens de wet getrouwd was en daarom pleegde men overspel. Het is ondenkbaar dat dť Man, namelijk de Heer, overspel pleegt of ontrouw is. De wet geldt zolang de mens leeft. Dť Mens is gestorven (Romeinen 7).

"Indien Eťn voor allen gestorven is, dan zijn zij allen gestorven" (2 Korinthe 5 : 15). Paulus zegt dat alles hem geoorloofd is,maar dat niet alle dingen even nuttig zijn (1 Korinthe 6 : 12). Alle dingen zijn geoorloofd, maar niet alle dingen stichten (1 Korinthe 10 : 23). Paulus gaat in 1 Korinthe 7 zůver, dat hij zelfs het verschil van geloof als reden tot echtscheiding accepteert. 

Als iemand een ongelovige vrouw heeft en zij tevreden is bij hem te wonen, dan mag dat. Als de ongelovige wederhelft het echter niet aan kan, dan mag hij scheiden (1 Korinthe 7 : 12-16). Daar is "geestelijke ontrouw" de reden tot echtscheiding. Een christen wordt enorm gehandicapt wanneer hij/zij in ťťn gezin met ongelovigen samenleeft.

Het huwelijk tussen de Heer en IsraŽl werd beŽindigd:

Een echtscheiding in het leven van wie dan ook, houdt een catastrofe in. We dienen te leren dat niemand dat soort dingen zoekt. Waar het voorkomt, moeten we niet meteen veroordelen, want dat doen die mensen zelf wel. Zij zijn zich wel bewust dat ze gefaald hebben. Zo is het met IsraŽl ook geweest. Toen de tien stammen met een scheidbrief werden weggezonden faalde er op dat moment niemand. Ver daarvůůr was er al iets verkeerd gegaan. Gedane zaken nemen geen keer; dat geldt zeker bij God! Daarom is de wet genadig door een echtscheiding te regelen. De Heer sluit Zich daarbij aan al zegt Hij er wel bij dat het oorspronkelijk niet de bedoeling is geweest. De bedoeling van een huwelijk is eeuwige trouw. Zo’n huwelijk is in een tijdelijke wereld een onmogelijke zaak. Men kan geen eeuwig huwelijk sluiten als men zelf tijdelijk leven heeft. Het huwelijk tussen de Heer en IsraŽl werd beŽindigd:

  1. Op grond van hoererij.
  2. Door een scheiding (i.v.m. de tien stammen en geen genade).
  3. Door de dood (in de eerste plaats van de Man; Romeinen 7).

De Man, de Heer, is uit de doden opgestaan (= wedergeboren) en ook de vrouw, IsraŽl, zal wedergeboren worden. Deze Man en vrouw zullen een nieuw eeuwig huwelijk aangaan: een nieuw verbond. Het is een nieuw verbond, omdat het op een nieuwe schepping wordt gelegd. Het is geen verbond tussen Jehovah en Jakob (= het oude verbond), maar tussen Christus en IsraŽl (= het nieuwe verbond). Dat huwelijk moet nog gesloten worden: de bruiloft des Lams.

 

Jeremia 31 : 31-34

31 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van IsraŽl en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;

32 Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE;

33 Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van IsraŽl maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.

34 En zij zullen niet meer, een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broeder, leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.

 

Dit is de vervulling van: 

Jeremia 31 : 22

22 Hoe lang zult gij u onttrekken, gij afkerige dochter? Want de HEERE heeft wat nieuws op de aarde geschapen: de vrouw zal den man omvangen.

 

De vrouw zŠl met de man gemeenschap hebben. Dit zal onder het nieuwe verbond gebeuren en het zal van toepassing zijn op de vrouw, op IsraŽl. De Heer zal de zonden vergeven en wegdoen. Er zal niet meer aan gedacht worden. De vrouw heeft dan genade gevonden in de ogen des Heeren. De Heer zal in plaats van het oude verbond een eeuwig verbond sluiten.

EzechiŽl 16 : 60-62

60 Evenwel zal Ik gedachtig wezen aan Mijn verbond met u, in de dagen uwer jonkheid, en Ik zal met u een eeuwig verbond oprichten.

61 Dan zult gij uwer wegen gedenken en beschaamd zijn, als gij uw zusteren, die groter zijn dan gij, met diegenen, die kleiner zijn dan gij, aannemen zult; want Ik zal u dezelve geven tot dochteren, maar niet uit uw verbond.

62 Want Ik zal Mijn verbond met u oprichten, en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben;

 

IsraŽl zal dan de Naam des Heren aanroepen en "al wie de Naam des Heren zal aanroepen, zal behouden worden" (JoŽl 2 : 32). Hij heeft Zich onder de Naam "HEERE", namelijk "Jehovah", aan IsraŽl bekendgemaakt; als de Echtgenoot. In de dagen van het nieuwe verbond zal IsraŽl weten dat Hij Jehovah is. 

EzechiŽl 16 : 63

63 Opdat gij het gedachtig zijt, en u schaamt, en niet meer uw mond opent vanwege uw schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan hebt, spreekt de Heere HEERE.

 

Het nieuwe verbond treedt in werking als de Heer voor IsraŽl verzoening gedaan zal hebben. Die verzoening is in het verleden al gedaan. Toen het oude verbond van de wet verdween, trad het nieuwe verbond in werking voor hen die geloven. In Jesaja 54 wordt een loflied gezongen over de toekomst van IsraŽl. 

Jesaja 54 : 4

4 Vrees niet, want gij zult niet beschaamd worden, en word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; maar gij zult de schaamte uwer jonkheid vergeten, en den smaad uws weduwschaps zult gij niet meer gedenken.

 

Wanneer IsraŽl straks een ontmoeting zal hebben met de Heer zal blijken dat ze haar Man niet alleen ontrouw was, maar dat ze Hem bovendien heeft vermoord. De Heer vergeeft het haar. IsraŽl is nu een weduwe. 

Jesaja 54 : 5

5 Want uw Maker is uw Man, HEERE der heirscharen is Zijn Naam; en de Heilige IsraŽls is uw Verlosser; Hij zal de God des gansen aardbodems genaamd worden.

 

De Heer is niet alleen gestorven, maar ook opgewekt. Er zal een nieuwe vrouw worden geschapen en dat kan alleen als zij eerst overleden is. Het oude moet eerst weg. Hier wordt de Heer, de Bruidegom, de "Man" genoemd. Dit vers toont een parallellisme. uw Maker uw Man HEERE der heirscharen is Zijn Naam; de Heilige IsraŽls uw Verlosser Hij zal de God des gansen aardbodems genaamd worden.

De Verlosser van IsraŽl is niemand anders dan de HEERE der heirscharen, namelijk Jehovah. Hij is de Messias van IsraŽl. Hij zal de God van alle volken genoemd worden; niet alleen van IsraŽl. 

Jesaja 54 : 6

6 Want de HEERE heeft u geroepen, als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; nochtans zijt gij de huisvrouw der jeugd, hoewel gij versmaad zijt geweest, zegt uw God.

 

IsraŽl is alleen, voelt zich in de steek gelaten en gedraagt zich ook zo. IsraŽl weet echter niet dat ze niet alleen verlaten, maar ook weduwe is. Ze zal dat straks zien als ze ziet Wie zij doorstoken heeft (ZacharŪa 12 : 10). Die verlaten vrouw zal straks door de Heer geroepen worden. Ze was verlaten en werd vervolgens weduwe, maar ze zal straks de bruid zijn.  

Jesaja 54 : 7

7 Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten; maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen.

 Hij zal Zich dan in de hoedanigheid van Bruidegom aan IsraŽl (als bruid) openbaren.

In de toekomst zal de Heer Zich over IsraŽl ontfermen. Hij zal Zich dan in de hoedanigheid van Bruidegom aan IsraŽl (als bruid) openbaren. IsraŽl is de bruid van de toekomst. Zij is de vrouw der jeugd. Er is nog veel meer te vertellen over de huwelijksverhouding tussen de Heer en IsraŽl, ondermeer via de geschiedenis van Hosea en Gomer. In ieder geval is duidelijk geworden dat het belangrijkste aspect van de bedeling van de wet voorgesteld wordt door de huwelijksrelatie tussen de Heer en IsraŽl.

 

Terug naar begin

De functie van de wet.

De Bijbel is heel duidelijk over de functie van de wet. 

Galaten 3 : 19

19 Waartoe is dan de wet? Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, dien het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand des Middelaars.

 

Ter wille van de overtredingen heeft IsraŽl de wet ontvangen. 

Romeinen 3 : 20

20 Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.

 

Romeinen 5 : 20

20 Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest;

 

Door de wet is er kennis der zonde (= zonde-natuur; vergelijk Romeinen 7 : 9). De wet is gekomen opdat de misdaad toe zou nemen. Hoe nauwkeuriger men onder de wet leeft, des te meer zal men de wet overtreden en des te meer zal men dus zondigen. 

Romeinen 7 : 8-11

8 Maar de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht; want zonder de wet is de zonde dood.

9 En zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven.

10 En het gebod, dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden.

11 Want de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid, en door hetzelve gedood.

 

De zonde vindt haar oorzaak in de wet. 

Romeinen 7 : 13

13 Is dan het goede mij de dood geworden? Dat zij verre. Maar de zonde is mij de dood geworden; opdat zij zou openbaar worden zonde te zijn; werkende mij door het goede den dood; opdat de zonde boven mate wierd zondigende door het gebod.

 

De zondige natuur van de mens droeg door de wet meer vrucht, omdat de overtredingen door de wet toenamen. 

Romeinen 3 : 21, 22

21 Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten:

22 Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid.

De zondige natuur van de mens droeg door de wet meer vrucht, omdat de overtredingen door de wet toenamen. 

Onder de wet werd de rechtvaardigheid Gods geopenbaard. Gelovigen kunnen wel door de woorden der wet gerechtvaardigd worden; niet door de werken der wet. 

Lukas 24 : 25

25 En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben!

 

De Heer wil dat wij alles geloven dat Zijn Woord zegt. De wet getuigt van de rechtvaardigheid die uit het geloof is, want de wet spreekt over Christus. Dit wil dus zeggen dat de wet leert dat er vergeving van zonden is. De zondaar hoeft niet zelf de straf over zijn zonden te dragen. De wet spreekt en getuigt over het offer dat de Here Jezus zou brengen: het Lam Gods Dat de zonden der wereld zou wegnemen. We moeten ons niet onder de wet plaatsen, maar we dienen te geloven in de leerstellige betekenis van de wet. De wet verkondigt genade!!! In Johannes 5 staat een gesprek van de Jezus met een Schriftgeleerde.

Johannes 5 : 44-46

44 Hoe kunt gij geloven, gij, die eer van elkander neemt, en de eer, die van God alleen is, niet zoekt?

45 Meent niet, dat Ik u verklagen zal bij den Vader; die u verklaagt, is Mozes, op welken gij gehoopt hebt.

46 Want indien gij Mozes geloofdet, zo zoudt gij Mij geloven; want hij heeft van Mij geschreven.

 

Mozes heeft alleen de wet geschreven (2 Kronieken 23 : 18; 25 : 4; 30 : 16; Johannes 1 : 17; 7 : 23). Die wet was van de HEERE afkomstig. Als men de wet van Mozes geloofde zou men ook Christus geloven, want de wet wijst op en getuigt van Christus. De wet spreekt over plaatsvervanging. De brief aan de HebreeŽn is een uiteenzetting van Paulus over de manier waarop de wet over Christus spreekt. Het is tragisch dat dit aan HebreeŽn verklaard moest worden,want zij hadden het moeten weten.  

HebreeŽn 10 : 1

1 Want de wet, hebbende een schaduw der toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen diegenen, die daar toegaan.

 

Onder de wet moest ieder jaar geofferd worden, omdat die offers onvolmaakt waren. De wet had ook niet de functie om verzoening tot stand te brengen, maar was alleen een afbeelding van Degene Die verzoening tot stand zou brengen. De wet was slechts typologie, want het bloed van stieren en bokken kon de zonde niet wegnemen. 

HebreeŽn 10 : 4, 5

4 Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme.

5 Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid;

 

De offers uit het Oude Testament waren beelden van het ene Offer dat nooit herhaald hoeft te worden, omdat het volmaakt is: het offer van Jezus Christus.

 

Terug naar begin

Het getal vier.

De "vier" is een bijzonder getal, want het is het eerste kwadraat (namelijk van "twee"; een derde macht is een nog hogere vervulling). "Vier" is de vervulling van de twee. "Twee" is de grondslag van de wereld. Vanuit die "twee" kan men alle kanten op (= veelheid); de ťťn is verdeeld. De vier is hťt getal van de stoffelijke wereld. Daarom staat de vier voor alles wat vergankelijk is. De vierde bedeling is tijdelijk en houdt verband met de tijdelijke/ vleselijke dingen. In de Bijbel komen vaker reeksen van 1, 2, 3, 4 voor. In de natuur bestaat deze systematiek in veel aspecten:

- 4 elementen:                           1 = vuur; 2 = lucht; 3 = water; 4 = aarde

- de indeling van de dag:             ochtend, middag, avond, nacht

- 4 jaargetijden:                        lente, zomer, herfst, winter

- 4 "hoeken" der aarde:               noord, oost, zuid, west (hoek = zijde, aspect, kant)

De "vier dieren" in de Bijbel drukken de vier hoedanigheden van de Persoon van Jezus Christus uitdrukken (EzechiŽl 1 : 10; Openbaring 4 : 7).  

De "vier dieren" in de Bijbel drukken de vier hoedanigheden van de Persoon van Jezus Christus uitdrukken (EzechiŽl 1 : 10; Openbaring 4 : 7).

leeuw

evangelie van MatthťŁs

hemelsblauw

Koning

 

rund

evangelie van Markus

purper

Dienstknecht

mens

evangelie van Lukas

scharlaken

Zoon des mensen

 

arend

evangelie van Johannes

wit

Zoon van God

 

 

In de Bijbel staat ook een reeks van vier in verband met God:

 

Elohiem

Genesis 1 : 1

God

 

Ruach Elohiem

Genesis 1 : 2

De Geest van God

 

Jehovah Elohiem

Genesis 2 : 4

De HEERE God

 

Jehovah Jehoshua

 

De Here Jezus

 

 

Het vierde aspect van de Persoon van God is de Here Jezus. Hij was tijdelijk, want Hij was vlees (vergelijk 2 Korinthe 5 : 16). Hij is het vleesgeworden Woord (Johannes 1 : 14). Het getal "vier" is de Hebreeuwse letter "daleth" (d): de deur. De Heer is de Deur (Johannes 10 : 7). Die Deur hebben we maar ťťnmaal nodig: om naar binnen te gaan. De vierde eindigt met de uitgang, namelijk met de dood (van de Here Jezus Christus). De vier, de deur, is daarom een beeld van de dood. De Deur is Christus, maar het houdt tevens de dood van de oude mens in. Deze uitgang is horizontaal, omdat het de verlossing uit Egypte en daarmee van de bedeling van de wet is. Er is nůg een uitgang uit het huis, maar dan zijn we bij de vijfde bedeling aangekomen. Men kan door de deur naar buiten, maar ook door het raam! De letter "hee" (h - de vijf) heeft de betekenis van "venster".

Een deur is een opening in de wand van het huis; het venster is een gat in het dak. Door deze opening komt het licht naar binnen en kunnen wij naar buiten. De Here Jezus is het Woord (Johannes 1 : 1, 14). Hij heeft in de hoedanigheid van "Woord" onder ons gewoond. "Woord" is in het Grieks "logos". Het heeft niet alleen de betekenis van "een woord" (een aantal letters), maar ook van "woord" (dat wat gezegd wordt). God is Woord. Dat wil zeggen: God openbaart Zich. "Logos" wordt gebruikt voor woord, getal, formule, gedachte, een hele zin; zelfs voor de Bijbel en voor de Persoon van de Here Jezus. "Taal" is ook in een reeks van vier weer te geven:

  • 1. De melodie. De melodie is dat wat wij horen. De melodie bepaalt de betekenis van de tekst (en de gevoelswaarde). De melodie is bepalend.

 

  • 2. De klinkers. Dit zijn de klanken. Dit is een lager aspect. Een klinker ontstaat door lucht uit te blazen met gebruikmaking van de stembanden. Door de vorming van mond en neusholte ontstaat een bepaalde klank.

 

  • 3. De medeklinkers. De medeklinkers delen de klinkers in. Het zijn de onderbrekingen in de klanken: de letters die men niet kan zingen. Bij de medeklinkers wordt de klank van de klinkers onderbroken met het verhemelte, achter in de keel met de tong tegen de  lippen/tanden of alleen met de lippen. Het zijn onderbrekingen in de luchtstroom en daarmee van de klank, het woord en de melodie. Daarom is het een veel lagere vorm, maar tegelijkertijd ordenen ze het geheel. Melodie, klinkers en medeklinkers vormen de volledige taal. Ze zijn nodig om te kunnen spreken. Ook de taal heeft echter een vierde aspect:

 

  • 4. De letters. Letters zijn niet te horen, maar alleen te zien. Het zijn een soort codes om klanken vast te leggen. Letters zijn zichtbaar en in de materie vastgelegd. Letters zijn van tijdelijke aard.

 

"Drie" en "vier" horen bij elkaar. Daarom heeft het Hebreeuws alleen medeklinkers. De tekst van de Bijbel kent slechts medeklinkers: de zichtbare vorm van de "drie". De taal wordt opgeschreven ofwel: het woord is "vlees" geworden. De laatste letter van het Hebreeuwse alfabet is een "thaf" (t), die een getalswaarde van 400 heeft. Het is de "vier" op het hoogste niveau. Het woord "thaf" (de naam van deze letter) betekent "teken". In het oud Hebreeuws werd de thaf als een kruis op zijn kant geschreven (x), of als een echt kruis (†). Er wordt bij de Hebreeuwse letters niet verder dan de 400 geteld. De thaf is een teken en een kruis. Dat teken is het kruis: het einde van alles. Onze letter "4" heeft nog  ongeveer de vorm van een "t". De hoofdletter "T" heeft de vorm van een kruis, maar dan met drie punten. De letter "T" is over de gehele wereld bekend als "de heilige Tau". Dat is in wezen het kruis. Wij kennen het kruis vanuit het Nieuwe Testament, maar de wereld kent het al vťťl langer. zie zijlijn 6

Bij de vier houdt het op, want het is hťt getal van de tijdelijke, vergankelijke, wereld. De vierde bedeling is daarom de eerste bedeling die afliep/ vervuld werd.

 

Terug naar begin

De vierde dag.

Op de vierde dag werden de lichtdragers aan de hemel openbaar. De lichtdragers - de zon, maan en sterren - zijn een beeld van IsraŽl (vergelijk Genesis 37 : 9, 10; Openbaring 12 : 1). Zoals de zon, maan en sterren op de vierde dag zichtbaar werden, zo werd IsraŽl - als natie - in de vierde bedeling zichtbaar. Dat IsraŽl als volk over de andere volken zal heersen, is tot Adam terug te voeren. Zo is ook het werk van de vierde dag tot de eerste dag te herleiden. Op de eerste dag zei God: "Daar zij licht" (Genesis 1 : 3).

Op de eerste dag zei God: "Daar zij licht" (Genesis 1 : 3).

Dit is het licht van de zon. In Genesis 1 verscheen de zon echter pas op de vierde dag. Over de vierde dag worden dingen gezegd die op de bedeling van de wet van toepassing kunnen worden gebracht en daarom ook op IsraŽl. 

Genesis 1 : 14-19

14 En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren!

15 En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde! En het was alzo.

16 God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.

17 En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.

18 En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was.

19 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag.

 

De lichtdragers, die een beeld van IsraŽl zijn, werden openbaar. Al wat openbaar maakt is licht (…feze 5 : 13). In Genesis 1 : 3 gaat het om "licht" als begrip. "Licht" is de vertaling van het Hebreeuwse woord "oor" (rra). In Genesis 1 : 14 staat het Hebreeuwse woord "maa’oor" (rram). Dat wijst op lampen die licht voortbrengen. IsraŽl is zo’n  lichtdrager,want de zaligheid is uit de joden en aan IsraŽl is het Woord van God toevertrouwd (Romeinen 3 : 1). Daaruit volgt dat IsraŽl dat Woord in de wereld hoort te laten schijnen. In het algemeen is "Licht" het Woord van God. Christus is dť Lichtdrager. Hij verscheen in de vierde bedeling. Hij kwam onder de wet (Galaten 4 : 5). De lichten zijn er om scheiding te brengen tussen dag en nacht, namelijk tussen licht en duisternis. Ze zijn ook tot tekenen. Zij betekenen iets; ze hebben iets te zeggen. 

Psalmen 19 : 2-5

2 De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.

3 De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.

4 Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.

5 Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.

 

Als dit voor sterren geldt, geldt dit ook voor IsraŽl. IsraŽl dient niet alleen het Woord van God te prediken (als lichtdragers), maar zij is ook een teken; ze heeft een symbolische/typologische betekenis. De geschiedenis van IsraŽl is ťťn en al typologie (1 Korinthe 10 : 11). IsraŽl is in de eerste plaats een teken van het verlossingswerk van Christus. De Here Jezus stierf en stond op de derde dag uit de doden op. Dat zal ook met IsraŽl gebeuren, want op "de derde dag zal zij weder levend gemaakt worden" (Hosea 6 : 2). Aan IsraŽl zal geen ander teken worden gegeven, dan het teken van Jona (Lukas 11 : 29). IsraŽl zal tot een teken, een spotrede en tot een spreekwoord zijn (Jeremia 24 : 9). De geschiedenis van IsraŽl is een uitbeelding van Gods heilsplan. De lichten zijn bovendien ook "...tot gezette tijden". Deze uitdrukking komt viermaal in Genesis voor: 

Genesis 1 : 14

14 En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren!

 

De zon, maan en sterren zijn tot gezette tijden. 

Genesis 17 : 21

21 Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal.

 

Op de gezette tijd werd de beloofde zoon geboren. 

Genesis 18 : 14

14 Zou iets voor den HEERE te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal Ik tot u wederkomen, omtrent dezen tijd des levens, en Sara zal een zoon hebben!

 

Genesis 21 : 2

2 En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had.

 

De gezette tijd is in hoogste instantie het tijdstip waarop de Zoon, Christus, geboren zou worden. De lichten zijn ook "... tot dagen en jaren". De natuurlijke tijdrekening verloopt op grond van de sterren. De tijdrekening in de Schrift wordt aan de geschiedenis van IsraŽl gerelateerd.

 

Terug naar begin

De vierde stamvader.

De vierde stamvader is Kenan. Van Kenan weten we alleen hoe oud hij was toen zijn zoon geboren werd en hoe oud hij was toen hij stierf. 

Genesis 5 : 12-14

12 En Kenan leefde zeventig jaren, en hij gewon Mahalal-el.

13 En Kenan leefde, nadat hij Mahalal-el gewonnen had, achthonderd en veertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

14 Zo waren al de dagen van Kenan negenhonderd en tien jaren; en hij stierf.

 

We kennen de stam van de Kenieten; de schoonvader van Mozes was een Keniet (Richteren 1 : 16). De namen Kenan (NnlNl) en KaÔn (NlNl) zijn beide van dezelfde stam afgeleid, namelijk van "kanah" (hnNl). Het werkwoord "kanah" betekent "verwerven", "het in bezit krijgen", "kopen" (zie Genesis 4 : 1 - "verkregen" = "verworven"). Kenan/KaÔn betekent "dat,wat verworven is". Beide namen worden met IsraŽl in verband gebracht. De naam "Kanašn" houdt verband met deze woorden. Deze naam wordt steeds met het beloofde land in verband gebracht. Het volk IsraŽl is het bijzondere bezit van de Heer.

De naam "Kanašn" houdt verband met deze woorden.

Hij heeft het verworven (vergelijk Exodus 19 : 5). De namen Kenan en KaÔn zijn nauw verwant met elkaar. KaÔn is een type van het natuurlijke IsraŽl; speciaal IsraŽl onder de wet. KaÔn heeft zijn broer doodgeslagen, maar hijzelf werd daarvoor niet gedood. Hij zou zwervende en dolende zijn op de aarde (Genesis 4 : 12). Dat is ook met IsraŽl gebeurd. IsraŽl heeft de Heer gedood en doolt en zwerft sindsdien over de aarde. KaÔn spreekt in Genesis 5 : 14 over de verborgenheid, waarin IsraŽl voor de Heer verborgen is en de Heer voor IsraŽl. Van Kenan is weinig bekend. Hij was 70 jaar toen Mahalal-el geboren werd. Daarna leefde hij nog 840 jaar. Hij werd dus 910 jaar oud.

 

Terug naar begin

De vierde vrucht.

Deuteronomium 8 : 8

8 Een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgebomen, en granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen, en van honig;

 

De vierde vrucht uit Deuteronomium 8 : 8 is de vijgeboom. In de Bijbel komt de vijgeboom erg vaak voor. Enkele teksten: 

Genesis 3 : 7

7 Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.

 

Deze vijgeboombladeren dienden voor het bedekken van de geslachtsorganen. De Heer gaf hen er dierenvellen voor in de plaats: de omhulling van een ander! 

MatthťŁs 21 : 19

19 En ziende, een vijgeboom aan den weg, ging Hij naar hem toe, en vond niets aan denzelven, dan alleenlijk bladeren; en zeide tot hem: Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid! En de vijgeboom verdorde terstond.

 

De Heer zocht vijgen aan de vijgeboom, maar vond slechts bladeren. De boom was onvruchtbaar. Er werd niets voortgebracht. 

MatthťŁs 24 : 32

32 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.

 

De vijgeboom was verdord, maar zal in de toekomst weer leven. Een vijg wordt in verband gebracht met het mannelijk geslachtsorgaan. De vijg heeft precies dezelfde vorm en zit vol zaad. Vijgen zijn schijnvruchten. De vijg is dus eigenlijk geen vrucht. De vruchtjes zijn de kleine harde pitjes, die binnenin de vijg zitten. De vijg is eigenlijk de bloembodem die om de pitjes is heengegroeid. Een vijg is een beeld van de vruchtbaarheid van de mens. Een vijg heeft met "vťťl worden" te maken: een talrijk zaad. De vijgeboom is in de Bijbel een type van de staat IsraŽl. In JoŽl 1 : 7 wordt de vijgeboom met "schuim" in verband gebracht: 

JoŽl 1 : 7

7 Het heeft mijn wijnstok gesteld tot een verwoesting, en mijn vijgeboom tot schuim; het heeft hem ganselijk ontbloot en nedergeworpen, zijn ranken zijn wit geworden.

De vijgeboom is in de Bijbel een type van de staat IsraŽl. 

De vijgeboom staat voor de uiterlijke, zienlijke wereld die zich vermenigvuldigt / ontwikkelt. Die ontwikkeling leidt echter niet tot God. 

Hosea 9 : 10

10 Ik vond IsraŽl als druiven in de woestijn, Ik zag uw vaderen als de eerste vrucht aan den vijgeboom in haar beginsel; maar zij gingen in tot Bašl-peor, en zonderden zich af tot die schaamte, en werden gans verfoeilijk naar hun boelerij.

 

Hier worden Abraham en zijn afstammelingen met de vijgeboom in verband gebracht. Het gaat over de tijd dat er nog geen staat IsraŽl was. IsraŽl ging later over tot afgodendienst en de vijgeboom werd onvruchtbaar. Enkele teksten: 

Jeremia 8 : 13

13 Ik zal hen voorzeker wegrapen, spreekt de HEERE; er zijn geen druiven aan den wijnstok, en geen vijgen aan den vijgeboom, ja, het blad is afgevallen; en de geboden, die Ik hun gegeven heb, die overtreden zij.

 

Er groeit aan IsraŽl geen vrucht meer: geen druiven en geen vijgen. Zelfs de bladeren zijn afgevallen: de uiterlijke verschijning van de staat IsraŽl bestaat niet meer (= een verdorde vijgeboom). 

Jeremia 24 : 1, 2, 5, 8

1 De HEERE deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor den tempel des HEEREN; nadat Nebukadnťzar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had.

2 In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in den anderen korf waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden.

5 Zo zegt de HEERE, de God IsraŽls: Gelijk die goede vijgen, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der ChaldeŽn heb weggeschikt, ten goede.

8 En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want aldus zegt de HEERE), alzo zal Ik maken ZedekŪa, den koning van Juda, mitsgaders zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen;

 

Deze goede en slechte vijgen zijn een uitbeelding van gelovige en ongelovige IsraŽlieten. 

Lukas 13 : 6, 7; 8, 9

6 En Hij zeide deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgeboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet.

7 En hij zeide tot den wijngaardenier: Zie, ik kome nu drie jaren, zoekende vrucht op dezen vijgeboom, en vind ze niet; houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde?

 

Er bleek al drie jaar geen vrucht aan de vijgeboom te groeien. De man wilde de vijgeboom omhakken. De wijngaardenier zei: 

8 En hij, antwoordende, zeide tot hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben;

9 En indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indien niet, zo zult gij hem namaals uithouwen.

 

Drie en vier horen bij elkaar. De boom staat er drie jaar en er werd een vierde jaar aan toegevoegd. 

Markus 11 : 12-15

12 En des anderen daags, als zij uit BethaniŽ gingen, hongerde Hem.

13 En ziende van verre een vijgeboom, die bladeren had, ging Hij om te zien, of Hij ook iets op denzelven zou vinden; en daarbij gekomen zijnde, vond Hij niet dan bladeren; want het was de tijd der vijgen niet.

14 En Jezus, antwoordende, zeide tot denzelven: Niemand ete enige vrucht meer van u in der eeuwigheid! En Zijn discipelen hoorden het.

15 En zij kwamen te Jeruzalem; en Jezus, in den tempel gegaan zijnde, begon diegenen, die in den tempel verkochten en kochten, uit te drijven; en de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten, keerde Hij om;

 

Hier wordt gesproken over de vervloeking van de vijgeboom (zie ook MatthťŁs 21 : 18-20). De ongelovige joodse staat stelde uiterlijk wel wat voor,maar droeg geen vrucht. Daarom werd zij vervloekt. Pas als Christus in de toekomende eeuw zal regeren, zal de vijgeboom (= IsraŽl) weer vrucht dragen. Wij zien vandaag wel een vijgeboom; geen uitbottende, maar een verdorde vijgeboom. IsraŽl leeft nog steeds in ongeloof. Na de 70-ste week wordt IsraŽl terugverzameld. Dan zal de vijgeboom uitbotten (MatthťŁs 24 : 32) en kunnen er vruchten aan gaan komen.

 

Terug naar begin

Einde van de vierde bedeling.

Het einde van de vierde bedeling is feitelijk het einde van de oude schepping. De Heer stierf voor allen en dus zijn allen gestorven. 

2 Korinthe 5 : 15

15 Als die dit oordelen, dat, indien Eťn voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat diegenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is. 

Het einde van de vierde bedeling is zelfs het einde van de "tegenwoordige eeuw", want die houdt verband met de heerschappij over de oude schepping. Als de oude schepping eindigt, eindigt de tegenwoordige eeuw ook. Daarvoor in de plaats komt de "toekomende eeuw" en de nieuwe schepping.

 

 Daarvoor in de plaats komt de "toekomende eeuw" en de nieuwe schepping.

 

Zijlijn 6

Er is ook een sterrenbeeld, dat ”kruis” heet, namelijk ”het Zuiderkruis” (Latijn: Crux). Dit sterrenbeeld is al zo’n 4000 jaar

aantoonbaar (zolang wordt het al gezien). Aan onze sterrenhemel is het niet meer te zien, omdat het naar het zuiden is afgezakt. Het Zuiderkruis heeft met vernedering te maken, want alles, wat in het zuiden ligt, heeft met vernedering te maken. Het is verleden tijd. Wij zien op naar een ander sterrenbeeld: de Noorderkroon. De kroon staat altijd in het noorden, want het noorden wijst op God (Psalmen 48 : 2, 3).

 

Terug naar begin

Copyright © 2011  www.bijbelstudie.nl. Auteur Ab Klein Haneveld. Alle rechten voorbehouden.
Bewerking lay-out www.eindtijdinbeeld.nl Auteur Melle Velema.